Uitgelezen: Spiegel spiegel schouder van Dorthe Nors

Ik las de roman Spiegel spiegel schouder van de Deense Dorthe Nors. Over de ondragelijke lichtheid van de eenzaamheid.

Eén lijn gaat over de (verkruimelde) relatie tussen de hoofdpersoon Sonja, verhuisd naar Kopenhagen, en haar zus Kate, die in Jutland is blijven wonen.

Het boek liet me inzien wat de relatie tussen broers/zussen zo gecompliceerd kan maken. Doordat ze dezelfde afkomst hebben, verbeelden ze de niet-gemaakte keuzes, de gemiste kansen. Dikwijls gaan oordelen over broers en zussen over jezelf.

Terwijl er weinig lijkt te gebeuren, zit de roman vol met dit soort ontdekkinkjes. Prachtig boek dus.

Manon Uphoff, Vallen is als vliegen

Het zou je kunnen afschrikken, een herinnering van een schrijfster aan haar incestueuze vader en haar (stief)zussen. Dat zou zonde zijn.

Want Vallen is als vliegen van Manon Uphoff is geen standaard getuigenisliteratuur. Daarvoor is de vorm te literair, en vooral het verhaal te ambigu. Uphoff zoekt naar woorden en beelden die de complexiteit kunnen uitdrukken. Een taal waar je volop van zou kunnen genieten als het niet zo gruwelijk was.

Uphoff omschrijft het daadwerkelijke misbruik bijna tussen neus en lippen. Juist die kleine tussenzinnetjes komen keihard aan.

Wat ze vooral beschrijft is de verwarring in het hoofd van het jonge kind. Want er is ook toenadering, aandacht. Goed en kwaad zijn niet van elkaar gescheiden, maar lopen door elkaar heen, waardoor er niets rest dan verwarring. Waar jaren later de schuld van de overlevende bijkomt.

Vallen is als vliegen is een van de krachtigste boeken die ik in tijden las. Verbijsterend en betoverend.

Na mijn opa de toverberg op

Deze zomer nam ik een enkel boek mee op vakantie: Der Zauberberg van Thomas Mann. Ik dacht dat een dikke pil meer rust zou geven dan een stapel losse flodders. En dat deed het.

Dik in het aantal pagina’s, maar niet dik in centimeters. Ik had namelijk een Duitse dundrukuitgave uit 1929 mee. Een exemplaar dat nog van mijn opa was geweest. En, als de sporen me niet bedrogen, ook door hem gelezen was.

Het gaf een bijzondere sensatie. Hoe ik, misschien wel zeventig jaar na hem, dezelfde letters tot me nam. Zo tegengesteld als we waren, door een onzichtbare draad met hem verbonden. Hij een ultraconservatieve ultramontaanse ondernemer, ik een een anti-revolutionaire sociaal-liberaal (geloof ik).

Om het geheugen op te frissen: in Der Zauberberg (De Toverberg) bezoekt de 24-jarige Hans Castorp zijn neef Joachim in een tbc-sanatorium in het Zwitserse Davos. Hij is van plan drie weken te blijven. Maar als zo vaak: zodra je je in medische kringen begeeft blijk je vanzelf ziek. En zo worden drie weken zeven jaar.

Ver weg van de gewone wereld (in een tijd dat berichten niet a la minute binnenkomen) neemt de tijd een andere loop. We zijn getuige van het langzame leven (waarin je tergend langzaam verliefd kunt worden) en ellenlange gesprekken. Een boek dat je niet kunt kraken met de vraag “wat bedoelt de auteur?”

Dus rest “wat zegt het boek mij?” Bij klassieke boeken helemaal. Wat het boek voor mij betekent, heeft het vast niet voor mijn grootvader betekent. Het boek ontwikkelt zich met de tijd mee. Gebeurtenissen waarvan de auteur nog geen weet kon hebben oefenen hun invloed uit op de leessensatie.

Een aantal weken nadat ik het boek voor de laatste keer dichtsloeg blijft een idee het sterkste bij me hangen: hoe dicht de liefde en de levensovertuiging bij elkaar liggen. Hoe ze zich in je vastgrijpen en verloochening leidt tot zelfvernietiging. Er wordt gevochten om vrouwen en om volgelingen. Zo beconcurreren de humanist Settembrini en de fanatieke katholiek Naphta om de aandacht van Hans Castorp. Het loopt niet goed af. Die große Gereizheit, oftewel de grote irritatie. Botsing tussen drift en beschaving.

De grote klassieke romans geven je vaak een ander perspectief op het heden. Het is dus vast geen toeval dat juist dit thema er voor me uitspringt. In een tijd dat discussies verharden en onder de oppervlakte een seksuele lading krijgen.

Mijn opa heeft er vast iets anders uitgehaald. Ik kan het hem niet meer vragen.

Een opstap naar Couperus

Ik lees graag Duitse romans. En ik lees graag romans in het Duits. Ik hou van de toon en het ritme van de taal, van de precisie. De verschillen met het Nederlands maken me taalbewuster. Doordat Duits lezen me meer moeite kost dan Nederlands, lees ik met meer aandacht. Een Duitse roman in het Duits lezen brengt me daardoor meer dan hem in vertaling lezen.

Maar ik ben niet tegen vertalingen. En ik ken ook niemand die tegen vertalingen is.

Sinds een paar maanden brengt docent Nederlands en schrijfster Michelle van Dijk hoofdstuk voor hoofdstuk een hertaling van Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan van Louis Couperus uit. Een vertaling, niet van de ene naar een andere taal, maar van de taal van de negentiende naar die van de eenentwintigste eeuw.

Haar liefdewerk oud papier blijkt (op Twitter, waar anders) een enorm verzet op te roepen. Gadverdamme, een verkrachting van Couperus’ taal, een aanmatigende poging et cetera. Soms uit de mond van echte liefhebbers, soms met ogenschijnlijk andere bedoelingen.

De opwinding bevreemdt mij. Kijk hier eens de eerste alinea’s van het werk, in origineel en hertaling.

Origineel.

Hertaling.

Onvermijdelijk gaat er bij een hertaling iets verloren, net zoals dat bij een vertaling het geval is. De echte liefhebber zal altijd het origineel prefereren. Maar dat hier het werk van Couperus omgebracht wordt, lijkt me ernstig overdreven.

Wat de critici niet zien is dat het origineel voor velen echt ontoegankelijk is. Neem alleen al de eerste zin. Wat als je het woord vestibule niet kent? Dan zoek je het toch op, zou je zeggen. Zeker. Maar er is een grens aan het aantal onbekende woorden dat de meeste lezers aankunnen.

Ik heb een schrijver van jeugdboeken ooit horen uitleggen hoe een kind kan testen of een boek voor hem geschikt is. Lees een pagina en tel het aantal woorden dat je niet kent. Zijn het er twee of drie, dan is het boek goed. Zijn het er minder, dan is het te gemakkelijk, en bij meer vingers is het te moeilijk.

Voor jongeren en volwassenen is het vast niet anders. Te veel onbekende woorden maakt een boek onleesbaar. Dan leer je er niets van. Probleem is dat het voor een geoefende lezer lastig voor te stellen is wat een boek lastig maakt voor een minder geoefende lezer. Hij realiseert zich niet dat vestibule een moeilijk woord is dat hij ooit ook niet kende.

Een hertaling maakt mooie klassieke literatuur toegankelijk voor minder geoefende lezers. Dat hoeven overigens niet alleen jongeren te zijn. Het kan ook gaan om volwassen lezers voor wie Nederlands niet de moedertaal is, maar die wel kennis willen maken met de Nederlandse cultuur. Die wil je toch niet tegenhouden?

Niemand hoeft de hertaling mooi te vinden, niemand hoeft hem te lezen. Sterker, de originele tekst is voor iedereen gratis te downloaden op de (te weinig bekende) digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.

Maar anderen de toegang tot het werk ontzeggen stuit me tegen de borst. Het riekt me te veel naar buitensluiten.

Op de middelbare school haalde ik tweeën voor Duits. Had je me toen verteld dat ik ooit romans in het Duits zou lezen, dan had ik je uitgelachen. Gelukkig waren er vertalingen die mij kennis lieten maken met de Duitse literatuur. Ik had de vertalingen als opstap nodig.

Volgens mij is de hertaling van Couperus net zo’n opstap.

Zwarte Piet en het milieu: hoe houden we het gezellig?

Twee rechtszaken deze week die veel aandacht trokken en ogenschijnljk niets met elkaar te maken hebben. De strafzaak tegen de blokkade-Friezen die de ZwartePiet-tegenstanders op de snelweg tegenhielden. En Urgenda, dat bij het Haagse Hof wist af te dwingen dat de staat snel de CO2-uitstoot moet terugdringen (overigens, als je meer wil weten hoe deze laatste zaak juridisch in elkaar zit, dan raad ik je van harte aan om naar aflevering S03E07 van de NRC-podcast Haagse Zaken te luisteren).

Voor mij is het wel duidelijk welke zaak het belangrijkste is. Het snel stoppen van de opwarming is een halszaak, het stoppen van Piet-tegenstanders een achterhoedegevecht. Want als je echt om kinderen geeft, dan maak je je druk om het klimaat in plaats van om Zwarte Piet, tweette ik deze week al.

Maar bij langer doordenken bleken de issues meer met elkaar te maken te hebben. Ik kwam tot dat inzicht door een blog op de geschiedenis-site Over de Muur. In het artikel Het goedpraten van het koloniale verleden is gezelligheidsfundamentalisme laat Larissa Schulte Nordholt zien hoe de (typische Nederlandse?) druk om het gezellig te houden, een open discussie over Zwarte Piet (en ons koloniaal verleden) in de weg zit. Want wie het feest verpest mag niet meer mee doen.

Ik realiseerde me dat het bij de klimaatdiscussie niet anders is. Het is natuurlijk prima om de staat te dwingen stappen te zetten, maar uiteindelijk zullen wij met z’n allen het milieu (en daarmee de toekomst van onze kinderen) moeten redden door bewustere keuzes te maken. Niet door kleine stapjes, maar door echt ons leven te veranderen. Door veel minder vlees te eten (een hobbel die ik zelf maar langzaam neem) of door veel minder te vliegen.

En daar zit hem de crux. Want zoals het niet prettig is om tijdens het sinterklaasfeest in het bijzijn van kinderen te beginnen over de aanstootgevendheid van Zwarte Piet, zo ga je ook niet bij het bespreken van de vakantieplannen vragen waarom je vrienden eigenlijk gaan vliegen. Staan voor een goed doel is een, maar je onmogelijk maken in je vriendenkring is wel een hoge prijs. (En eerlijk gezegd, over een paar jaar zou ik graag met mijn naasten naar Noorwegen gaan).

Toch staat die discussie ons wel te wachten. Net zoals enkele decennia geleden het als ongastvrij gezien werd, als je bezoek vroeg om niet in je huis te roken (en de roker die ik toen was zou er ook weinig van begrepen hebben). Terwijl nu een roker het niet meer in zijn hoofd haalt om zomaar een sigaret op te steken in het huis van een niet-roker.

Ja, kun je zeggen, dat gaat om je eigen huis. Maar deze planeet is ook mijn huis, en het jouwe. En al helemaal het huis van onze kinderen. Dus misschien moesten we er toch maar iets van gaan zeggen.

Heb jij een idee hoe we dat slim kunnen doen?

Kleine ergernissen worden groot

In het waterreservoir van het koffiezetapparaat zit een gat. Als je het te vol giet, stroomt het water er aan de achterkant weer uit. Het apparaat is niet stuk, het is zo gemaakt.

Meestal zet ik twee koppen, en dan is er geen probleem. Als je meer wil zetten voor je bezoek moet je goed kijken. Want het gaatje is maar lastig te zien. En anders moet je het aanrecht dweilen. Het is een ongemak waar je je niet gek door laat maken.

Maar toen kwam ik een bijna identiek apparaat tegen in een vakantiehuisje. Met een glazen in plaats van een thermoskan. En zonder gaatje.

In de glazen kan past 1,2 liter koffie, in de thermoskan maar 0,9. De firma Philips heeft besloten om met haar tijd mee te gaan en een koffiezetapparaat in de markt te zetten met thermoskan. Daarvoor heeft ze niet iets nieuws gemaakt, maar iets ouds gesloopt.

En nu kan ik er niet meer zo goed tegen.

Dirty blvd.

Het lijkt al een eeuwigheid geleden: de release van New York van Lou Reed in januari 1989. De muur stond nog; niemand voorzag dat hij binnen een jaar verdwenen zou zijn.

Twee jaar eerder had ik Lou Reed op Pinkpop gezien. Hij had weinig indruk op me gemaakt. Misschien omdat hij op het laatste moment mijn favoriete band The Smiths verving (achteraf bleken ze inmiddels uit elkaar gegaan te zijn). Misschien omdat generatiegenoot Iggy Pop vele malen energieker was. Lou Reed leek vijftien jaar na briljante albums als Berlin en Transformer, aan het eind van zijn Latijn.

Ik was dus erg verbaasd van hoe goed New York bleek te zijn. Een prachtige sound, opgeroepen met analoge apparatuur (tot en met buizenversterkers). Krachtig. En bovenal vol van beat poetry.

Zo mooi als ik de plaat toen al vond, kon ik niet vermoeden dat één song met me mee zou groeien: Dirty blvd.. Jaar na jaar begon het nummer meer voor me te beteken. Nu, na 29 jaar, durf ik het bijna het mooiste rocknummer te noemen dat ik ken. Er kan geen Top 2000 tegenop (en ook geen Perfect Day of Sweet Jane).

Het nummer begint met twee maten aangeslagen akkoorden (GDAD), gevolgd door twee maten herhaalde stijgende toonladder. Deze vier maten voorspiegelen de rest: het monotome leven en de slagen die je oploopt, maar ook de ontsnapping via de weg omhoog.

Dan zet Lou Reed in. Geen briljante zangstem, maar een uiterst doeltreffend parlando.

Pedro lives out of the Wilshire Hotel
he looks out a window without glass
The walls are made of cardboard, newspapers on his feet
his father beats him ‘cause he’s too tired to beg

He’s got 9 brothers and sisters
they’re brought up on their knees
it’s hard to run when a coat hanger beats you on the thighs
Pedro dreams of being older and killing the old man
but that’s a slim chance he’s going to the boulevard

De toon is gezet. Pedro is gevangene van zijn situatie, zijn vader de cipier. Geen ontsnappen aan. Hier rest slechts dwangarbeid op de smerige straten. De drummer begint te spelen met harde slagen om het refrein in te leiden.

He’s going to end up, on the dirty boulevard
he’s going out, to the dirty boulevard
He’s going down, to the dirty boulevard

Nu verschuift het perspectief.

This room cost 2,000 dollars a month
you can believe it man it’s true
somewhere a landlord’s laughing till he wets his pants

Het gaat niet alleen om Pedro, maar ook om degenen die de ellende veroorzaken.

No one here dreams of being a doctor or a lawyer or anything
they dream of dealing on the dirty boulevard

Een alliteratie op D. Down, down, down. Maar nu richten we onze blik omhoog.

Give me your hungry, your tired your poor I’ll piss on ‘em
that’s what the Statue of Bigotry says
Your poor huddled masses, let’s club ‘em to death
and get it over with and just dump ‘em on the boulevard

Het is niet alleen kwaad wat Pedro wordt aangedaan, het is ook verraad van de Amerikaanse waarden.

Get to end up, on the dirty boulevard
going out, to the dirty boulevard
He’s going down, on the dirty boulevard
going out

Nog hoger gaan we. Een helikopterview, als vlogen we over de stad als Boelgakovs Margarita over Moskou, of als de engel in Der Himmel über Berlin.

Outside it’s a bright night
there’s an opera at Lincoln Center
movie stars arrive by limousine
The klieg lights shoot up over the skyline of Manhattan
but the lights are out on the Mean Streets

A small kid stands by the Lincoln Tunnel
he’s selling plastic roses for a buck
The traffic’s backed up to 39th street
the tv whores are calling the cops out for a suck

Waar Lincoln het land bijeen wilde brengen is een grote breuk ontstaan.

And back at the Wilshire, Pedro sits there dreaming
he’s found a book on magic in a garbage can
He looks at the pictures and stares at the cracked ceiling
“At the count of 3” he says, “I hope I can disappear”

And fly fly away, from this dirty boulevard
I want to fly, from dirty boulevard
I want to fly, from dirty boulevard
I want to fly-fly-fly-fly, from dirty boulevard

Na onze reis over de stad keren we terug bij Pedro. Hij droomt, maar niet meer over ‘down to the boulevard’. Hij kijkt omhoog (als Sammie) naar het gebarsten plafond. Want hij vond een boek over toverkunst in het vuilnisvat.

Gaat het wel over toveren, of gaat het over kunst? Kunst die je laat ontsnappen. Hoor maar: fly-fly-fly-fly. Vier korte slagen van het vogeltje dat probeert op te stijgen. En het lukt.

I want to fly away
I want to fly
Fly, fly away
I want to fly
Fly-fly away (Fly a-)
fly-fly-fly (-way, ooohhh...)
Fly-fly away (I want to fly-fly away)
fly away (I want to fly, wow-woh, no, fly away)

En daar gaat hij, over de stad. In drie minuten hebben we een Dickens-achtige vlucht gemaakt van de goot naar de hemel. Een samenleving doorgrond. Een emotie doorlopen van diepe wanhoop naar vervoering.

Stukje bij beetje heb ik het nummer leren kennen. Het had vast sneller gekund, maar zo is het langzaam onder mijn huid gaan zitten. Zodat bij het toverboek in het vuilnisvat een brok in mijn keel zit.

Waarom duurde het zo lang? Wellicht was ik er nog lang niet aan toe. Omdat ik me, begin 20, onvoldoende bewust was van mijn bevoorrechte positie. Omdat ik nog wat slagen van het leven nodig had om te weten hoe bevrijdend kunst kan zijn.

De bekende Nederlander ontzien

Het wezen van bekende Nederlanders is dat je ze niet kent. Je kent slechts hun beeld.

Van de week zat ik in een wachtruimte met twee bekende Nederlanders. Er ontspon zich een geanimeerd gesprek. Zonder camera waren de BN’ers veel vriendelijker, ontspannener, menselijker dan dat ze gewoonlijk overkomen. Zonder camera waren ze niet in focus, konden ze deel van het geheel worden.

Een paar dagen later herinnerde een krantenartikel me aan een sextape die van een van de BN’ers gecirculeerd had, een aantal jaar geleden.

Ik was blij dat ik me daar tijdens het gesprek niet aan gedacht had. Blij ook dat ik de opnames nooit had gezien.

Kijken maakt medeplichtig. Luisteren maakt medemens.

Het interview, meer dan een transcriptie

Je kent ze wel, die interviews die van de pagina afspatten. Alsof je bij het gesprek zit. Pure spreektaal, die klinkt in je hoofd, terwijl je de letters leest.

Het ziet er zo simpel uit, maar het is hondsmoeilijk. Lees maar eens de letterlijke transcriptie van een vraaggesprek. Verschrikkelijk. En dan hoeft het niet eens met een warhoofd als de president van de Verenigde Staten te betreffen.

Soms hebben persvoorlichters te maken met welbedoelende amateur-journalisten, die denken dat ze een interview levendig maken door stukken uit de transcriptie achter elkaar te plakken. Of ze menen daarmee recht te doen aan wat er gezegd is. Meestal leidt het tot een onleesbaar resultaat.

Je praat anders voor de radio dan bij een vraaggesprek voor een geschreven interview. Je richt je niet rechtstreeks tot de luisteraar, maar hebt een afspraak met de journalist: ik probeer duidelijk antwoord te geven, zodat jij een goed verhaal kunt schrijven. Daarbij hoor je me nadenken, twijfelen, terugkomen op eerdere vragen, toetsen of ik goed overkom. Het vraaggesprek is repetitie en uitvoering tegelijk.

Een knappe journalist die daar een goed lopend verhaal van maakt. Zoals een naturalistische film heel wat meer is dan simpel de camera aanzetten.

’t Es nog al nie naar de wuppe

2017 kan voor mij maar met één song afgesloten worden: Naar de wuppe van de Belgische band Het zesde metaal.

(Hier live met rapper Brihang).

Twee weken geleden had ik nog niet van Het zesde metaal gehoord. Toen wees Maartje Luif via Twitter erop dat op de VRT-radio de Belpop 100 werd uitgezonden. Een lijst vol van herkenning en verrassing. Nummer 1 was het nummer Ploegsteert (2012). Een mooi melancholisch werk over het tragische leven van wielervedette Frank Vandenbroucke.

Het smaakte naar meer. Zo kwam ik bij hun laatste plaat, Calais uit 2016. Met het energieke, Naar de wuppe. Nu zingt Wannes Capelle, die ook nog een tijd in Roosbeef speelde, in plat Westvlaams, dus waar het over ging, daar had ik maar een half idee van.

Tijd voor een tweede ontdekking: het Vlaams Woordenboek. (Internet zoals internet bedoeld is: samen kennis vermeerderen). Dat leerde dat ‘naar de wuppe’, ‘naar de kloten’ betekent.

Het telkens terugkerende ‘’t es al niet naar de wuppe’ betekent dus: ‘het is nog steeds niet naar de kloten’. Een beetje als het Poolse volkslied: En nog is Polen niet verloren.

Is er een mooiere afsluiting van 2017? Het jaar om van de ene verbijstering in de andere te rollen. Een nieuwe wereldorde van domheid. Van cultuuroorlogen, omdat we zijn vergeten hoe echte oorlog voelt. Een jaar om te piekeren. Maar toch ook telkens het mooie, het verrassende.

Laat 2018 het jaar worden waar we buiten onze bubbel treden. Want daar zijn de mooiste ontdekkingen te doen.