Na mijn opa de toverberg op

Deze zomer nam ik een enkel boek mee op vakantie: Der Zauberberg van Thomas Mann. Ik dacht dat een dikke pil meer rust zou geven dan een stapel losse flodders. En dat deed het.

Dik in het aantal pagina’s, maar niet dik in centimeters. Ik had namelijk een Duitse dundrukuitgave uit 1929 mee. Een exemplaar dat nog van mijn opa was geweest. En, als de sporen me niet bedrogen, ook door hem gelezen was.

Het gaf een bijzondere sensatie. Hoe ik, misschien wel zeventig jaar na hem, dezelfde letters tot me nam. Zo tegengesteld als we waren, door een onzichtbare draad met hem verbonden. Hij een ultraconservatieve ultramontaanse ondernemer, ik een een anti-revolutionaire sociaal-liberaal (geloof ik).

Om het geheugen op te frissen: in Der Zauberberg (De Toverberg) bezoekt de 24-jarige Hans Castorp zijn neef Joachim in een tbc-sanatorium in het Zwitserse Davos. Hij is van plan drie weken te blijven. Maar als zo vaak: zodra je je in medische kringen begeeft blijk je vanzelf ziek. En zo worden drie weken zeven jaar.

Ver weg van de gewone wereld (in een tijd dat berichten niet a la minute binnenkomen) neemt de tijd een andere loop. We zijn getuige van het langzame leven (waarin je tergend langzaam verliefd kunt worden) en ellenlange gesprekken. Een boek dat je niet kunt kraken met de vraag “wat bedoelt de auteur?”

Dus rest “wat zegt het boek mij?” Bij klassieke boeken helemaal. Wat het boek voor mij betekent, heeft het vast niet voor mijn grootvader betekent. Het boek ontwikkelt zich met de tijd mee. Gebeurtenissen waarvan de auteur nog geen weet kon hebben oefenen hun invloed uit op de leessensatie.

Een aantal weken nadat ik het boek voor de laatste keer dichtsloeg blijft een idee het sterkste bij me hangen: hoe dicht de liefde en de levensovertuiging bij elkaar liggen. Hoe ze zich in je vastgrijpen en verloochening leidt tot zelfvernietiging. Er wordt gevochten om vrouwen en om volgelingen. Zo beconcurreren de humanist Settembrini en de fanatieke katholiek Naphta om de aandacht van Hans Castorp. Het loopt niet goed af. Die große Gereizheit, oftewel de grote irritatie. Botsing tussen drift en beschaving.

De grote klassieke romans geven je vaak een ander perspectief op het heden. Het is dus vast geen toeval dat juist dit thema er voor me uitspringt. In een tijd dat discussies verharden en onder de oppervlakte een seksuele lading krijgen.

Mijn opa heeft er vast iets anders uitgehaald. Ik kan het hem niet meer vragen.

Een opstap naar Couperus

Ik lees graag Duitse romans. En ik lees graag romans in het Duits. Ik hou van de toon en het ritme van de taal, van de precisie. De verschillen met het Nederlands maken me taalbewuster. Doordat Duits lezen me meer moeite kost dan Nederlands, lees ik met meer aandacht. Een Duitse roman in het Duits lezen brengt me daardoor meer dan hem in vertaling lezen.

Maar ik ben niet tegen vertalingen. En ik ken ook niemand die tegen vertalingen is.

Sinds een paar maanden brengt docent Nederlands en schrijfster Michelle van Dijk hoofdstuk voor hoofdstuk een hertaling van Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan van Louis Couperus uit. Een vertaling, niet van de ene naar een andere taal, maar van de taal van de negentiende naar die van de eenentwintigste eeuw.

Haar liefdewerk oud papier blijkt (op Twitter, waar anders) een enorm verzet op te roepen. Gadverdamme, een verkrachting van Couperus’ taal, een aanmatigende poging et cetera. Soms uit de mond van echte liefhebbers, soms met ogenschijnlijk andere bedoelingen.

De opwinding bevreemdt mij. Kijk hier eens de eerste alinea’s van het werk, in origineel en hertaling.

Origineel.

Hertaling.

Onvermijdelijk gaat er bij een hertaling iets verloren, net zoals dat bij een vertaling het geval is. De echte liefhebber zal altijd het origineel prefereren. Maar dat hier het werk van Couperus omgebracht wordt, lijkt me ernstig overdreven.

Wat de critici niet zien is dat het origineel voor velen echt ontoegankelijk is. Neem alleen al de eerste zin. Wat als je het woord vestibule niet kent? Dan zoek je het toch op, zou je zeggen. Zeker. Maar er is een grens aan het aantal onbekende woorden dat de meeste lezers aankunnen.

Ik heb een schrijver van jeugdboeken ooit horen uitleggen hoe een kind kan testen of een boek voor hem geschikt is. Lees een pagina en tel het aantal woorden dat je niet kent. Zijn het er twee of drie, dan is het boek goed. Zijn het er minder, dan is het te gemakkelijk, en bij meer vingers is het te moeilijk.

Voor jongeren en volwassenen is het vast niet anders. Te veel onbekende woorden maakt een boek onleesbaar. Dan leer je er niets van. Probleem is dat het voor een geoefende lezer lastig voor te stellen is wat een boek lastig maakt voor een minder geoefende lezer. Hij realiseert zich niet dat vestibule een moeilijk woord is dat hij ooit ook niet kende.

Een hertaling maakt mooie klassieke literatuur toegankelijk voor minder geoefende lezers. Dat hoeven overigens niet alleen jongeren te zijn. Het kan ook gaan om volwassen lezers voor wie Nederlands niet de moedertaal is, maar die wel kennis willen maken met de Nederlandse cultuur. Die wil je toch niet tegenhouden?

Niemand hoeft de hertaling mooi te vinden, niemand hoeft hem te lezen. Sterker, de originele tekst is voor iedereen gratis te downloaden op de (te weinig bekende) digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.

Maar anderen de toegang tot het werk ontzeggen stuit me tegen de borst. Het riekt me te veel naar buitensluiten.

Op de middelbare school haalde ik tweeën voor Duits. Had je me toen verteld dat ik ooit romans in het Duits zou lezen, dan had ik je uitgelachen. Gelukkig waren er vertalingen die mij kennis lieten maken met de Duitse literatuur. Ik had de vertalingen als opstap nodig.

Volgens mij is de hertaling van Couperus net zo’n opstap.

Een half jaar boeken van vrouwen

Sinds een half jaar lees ik alleen boeken geschreven door vrouwen. Daarmee ben ik halverwege mijn voornemen om dit een jaar door te zetten. Tijd voor een tussenstand.

Het was een voornemen dat vragen opriep. Wat wilde ik ermee bereiken? werd me gevraagd. Dat was nu net de crux: ik was nieuwsgierig naar wat effect op me zou zijn. Ik had geen vooropgezet doel.

Een drietal constateringen:.

Allereerst een voor de hand liggende: ik heb andere boeken gelezen, dan ik anders gedaan zou hebben gedaan. Voorheen was maar een kwart van de boeken die ik las geschreven door een vrouw. Ik wordt nu uitgedaagd buiten de paden te treden die ik normaliter voor me gebaand weet. Ik bestudeer met meer aandacht recensies, kies met meer zorg het volgende boek uit.

De tweede constatering is dat mijn leesplezier niet veranderd is. Niet in negatieve, maar ook niet in positieve zin. Ik las prachtige, maar ook tegenvallende boeken. Net als altijd.

Vanzelfsprekend dringt zich de vraag op of er een rode draad zit in de gelezen boeken. Op het eerste gezicht niet, net zoals er geen rode draad in de verzameling boeken van mannen zit. Maar er gebeurde wel bijzondere dingen bij het lezen.

Zo las ik na elkaar Zulajka opent haar ogen van Guzel Jachina en The natural way of things van Charlotte Woods. Het eerste boek beschrijft hoe een vrouw tijdens de vervolging van de Koelakken door Stalin terecht komt in een kamp aan een Siberische rivier. Het tweede boek is een vertelling van jonge vrouwen die na verschillende sekschandalen vastgehouden worden in de woestijn.

Het Tartaarse en het Australische boek verschillen in veel opzichten van elkaar. Het eerste is gebaseerd op feitelijke gebeurtenissen (overgeleverd door de grootmoeder van de auteur), het andere is fictie. In het ene blijven de gedachten van de hoofdfiguur vaag, het andere boek geeft veel meer inzicht in de gedachtenwereld van twee protagonisten.

Maar er zijn ook overeenkomsten. Hoe de mannelijke bewakers hun eigen gruwelijke weg volgen als de bevelhebbers niet meer van zich laten horen. Wat het effect is van onzekerheid. Hoe de vrouwen proberen het heft in eigen hand te nemen door zich toe te leggen op de jacht. Zo werden de boeken elkaars pedant; ze verrijkten elkaar. The natural way of things leek de psychologische invulling te zijn bij het historische verhaal van Zulajka opent haar ogen.

Dat brengt me bij een derde constatering (een voorzichtige, want vijftien boeken zijn er eigenlijk te weinig voor): de boeken van vrouwen lijken vaker te gaan over hoe hun personages zich te weer moeten stellen tegen externe krachten. Mannen schrijven vaker over de autonome ambities van hun hoofdpersonen. Ik ben benieuwd of anderen deze indruk herkennen.

Zoals gezegd las ik afgelopen half jaar andere boeken dan voorheen. Dat leidde ook tot ontdekkingen. Zoals Outline van Rachel Cusk. Hierin blijft de hoofdpersoon, een Britse schrijfster die een zomercursus geeft in Athene, bijna onzichtbaar. We lezen alleen de weerslag van de gesprekken die ze voert, en dan met name wat anderen haar vertellen. Daarmee ontstaat een outline die de contouren van de hoofdpersoon laten zien. Het is een fascinerende vorm, die leidt tot een boek met prachtige beschouwingen.

Ineens zag ik wat het lezen van boeken van vrouwen met mij doet. Want boeken die je leest vormen ook een outline van de lezer. Zolang je alleen boeken leest van mensen die op je lijken (al is het maar in geslacht), blijft die outline vaag. Het is juist de tegenstelling die scherpe lijnen trekt.

Ik dacht door een tijdlang boeken van vrouwen te lezen hen meer te begrijpen. Maar misschien leer ik wel het meest van mezelf.


Dit las ik het afgelopen half jaar:

  • Lize Spit, Het smelt.
  • Marja Pruis, Zachte riten.
  • Anousha Nzume, Hallo witte mensen.
  • Hannah Arendt, Eichmann in Jeruzalem.
  • J.K. Rowling, Harry Potter en de vuurbeker.
  • Juli Zeh, Nullzeit.
  • Hanna Bervoets, Fuzzie.
  • Irmgard Keun, Das Mädchen, mit dem die Kinder nicht verkehren dürften.
  • Jami Attenberg, All grown up.
  • Guzel Jachina, Zulajka opent haar ogen.
  • Isabelle Jarry, J’ai nom sans bruit.
  • Charlotte Woods, The natural way of things.
  • Marijke Schermer, Noodweer.
  • Jane Gardam, Een onberispelijke man.
  • Rachel Cusk, Outline.

De blik

Alfred Birney ontving gisteren de Libris Literatuurprijs 2017 voor ‘De tolk van Java’. Kijk eens hoe blij hij is.

Aleen maar blij?

Dit is de blik van de man die al dertig jaar romans schrijft. In eenzaamheid, woord voor woord. Hopend dat het goed is, dat het iemand wat doet.

En dan ineens de prijs.

Als een marathonloper die toch nog de finish haalt.

Het is lijden én geluk.

Twee vrouwen voor de Libris-prijs

Geen betere start van mijn voornemen een jaar alleen boeken van vrouwen te lezen, dan de twee ‘vrouwenboeken’ die kans maken morgen de Libris Literatuurprijs te winnen. Een groter verschil dan tussen Het smelt van Lize Spit en Zachte riten van Marja Pruis is moeilijk voorstelbaar.

Het smelt

Het smelt is een grote hit: 160.000 exemplaren verkocht plakt de uitgever inmiddels op het omslag. Zulke aantallen haal je alleen als lezers het boek echt mooi vinden; mond-tot-mondreclame is essentieel. Ik kan dus gerust verklaren dat het boek me niets deed; uitgever en lezers kunnen het naast zich neerleggen. Ik vond het te lang, te wijdsprakig, te plotgedreven (waarbij het plot mij halverwege het boek al begon te dagen). Had er niet een redacteur naar moeten kijken? De verkoopcijfers zeggen van niet.

Zachte riten

Nee, dan Zachte riten. Marja Pruis schrijft…

Als je bijvoorbeeld een gevoel van gemis of een ervaring van vergankelijkheid omstandig toelicht, verpest je de onbestemdheid van het gevoel, het kortstondige van het moment.

… en verwoordt daarmee waarom ik dit zo’n mooi boek vind en Het smelt niet.

Zo’n fijnzinnig boek als Zachte riten heb ik in tijden niet gelezen. Het draait om een universitaire poëzie-docente van achter in de veertig. Veel vraagt haar aandacht: de studenten, de poëzie, het verdwijnen van haar broer, de terminale ziekte van een vriendin, beschuldigingen aan het adres van een collega waar ze zeer op gesteld is.

Pruis laat al deze draden naast elkaar lopen, weeft er geen plot van. En vooral: ze werkt niet naar een ontknoping. Daarmee roept ze een herkenbaar levensgevoel op: alles vraagt om aandacht en blijft om aandacht vragen. De constante ben je zelf, je manier om op de ontwikkelingen te reflecteren en te reageren.

Deze gelaagdheid komt terug in de stijl. Pruis schrijft prachtige zinnen. Als ik ze lees, hoor ik Debussy. Bijna iedere zin is af, kan op zichzelf staan. Bij elkaar maken ze de harmonieën. (Het is niet voor niks dat Cézanne in het boek opduikt: de schilder die door nevenschikking een complexe wereld kan verbeelden.)

Inhoud en stijl sluiten naadloos op elkaar aan. Het lezen riep in mij het gevoel op dat ik ook kan hebben bij het luisteren naar een middellange compositie: je mag het over je laten komen, hoeft niet alles te begrijpen. En waarschijnlijk hoor je de volgende keer weer iets anders.

Als een jaar vrouwenboeken meer van dit soort leessensaties oplevert, ben ik blij!

De onwelriekende gleuvenbrigade

De onwelriekende gleuvenbrigade. Zo noemde de al haast vergeten dichter en polemist Gerrit Komrij op 25 november 1981 feministes. En hij ging nog even verder in zijn wekelijkse column in NRC Handelsblad: pluimvee-getto, kruidenvrouwtjes uit de Oeral, schrijvende bezemstelen, zusters in de kakel-maar-raak-race.

Dezelfde krant roept 35 jaar later op tot een adverteerdersboycot van Geen Stijl. Hypocriet?

Geen Stijl beroept zich op de vrijheid van meningsuiting en op Gerard Reve. Schijnheilig!

Want waar Gerrit Komrij een eenling was (zelfs met de homo-scene wilde hij niet geïdentificeerd worden), is Geen Stijl een beweging. Een verbale knokploeg. Schelden doet geen pijn, hebben we geleerd. (Seksueel) geweld wel. En dreigen met geweld is net zozeer geweld.

Beste heren van Geen Stijl, de dames ondertekenaars hebben meer kwaliteit in hun pink, dan jullie in je… ach, laat ook maar.

En dan heb ik nog niet eens over Gerrit Komrij:

Het Moordcommando

1

Ineens stond daar het moordcommando klaar
Met sabels, helmen, schilden, enterhaken
En tanks—kortom, het hele repertoire—
Om alle dromen ongedaan te maken.

Geen stedeling of hij werd gefouilleerd
Geen landsman of hem werd, indien verdacht,
De voering van zijn hersenpan gekeerd.
De kleinste droom werd door hen omgebracht.

Niet één gedachtengang bleef onbespied.
Wel vluchtte er soms een, maar ze volhardden.
Ze bliezen zelfs met staven dynamiet
Het einde van de regenboog aan flarden.

2

Wat een armzalig boeltje bleek hun buit
Na de eerste ronde van dat vuurgevecht.
Wat was geveld had, zonder lont of kruit,
Het loodje evengoed vanzelf gelegd.

Één droomflard, zei men, kneep er tussenuit
Met nog een beetje flair en energie.
Het leek me sterk. Een onderkruiper die
Zich had vermomd, vast, in een dromenhuid.

Een intrigant die, straks, in vredestijd
Profijt zou slaan uit wat was uitgeteld.
Vlug heb ik, uit een soort menslievendheid,
Me bij het moordcommando aangemeld.

Uit: Gerrit Komrij, De nachtmerrie (1990).

Hierom ga ik een jaar alleen boeken van vrouwen lezen

De mooiste boeken die ik vorig jaar las waren door vrouwen geschreven: Malva van Hagar Peeters, Het einde van de rode mens van Svetlana Alexijevitsj, Dertig dagen van Annelies Verbeke. Krachtige boeken die me anders tegen de wereld aan deden kijken.  

Des te verbazingwekkender dat driekwart van de boeken die ik de laatste vijf jaar las uit mannenhanden kwamen. Waardoor grijp ik drie keer zo vaak naar mannenboeken dan naar vrouwenboeken? Is het het aanbod? Of speelt er meer mee?

Over een kam

Ik denk dat ik ongelezen vrouwelijke auteurs over een kam scheer. In mijn hoofd zit een niet onverdeeld positief beeld van een vrouwenboek, dat ik projecteer op boeken waar ik nog niets van weet. Boeken moeten er wel erg uitspringen wil ik dat beeld opzij zetten.

Wat zou er gebeuren als ik een tijd lang, een jaar, alleen maar boeken van vrouwen zou lezen? Zou er een ander beeld van vrouwenboeken ontstaan? Of zou het beeld juist helemaal verdwijnen? Alle Chinezen lijken immers op elkaar, totdat je een tijd in China rondloopt.

Verzet

Gek genoeg riep dit idee her en der verontwaardigde reacties op. Het was discriminatie (een technisch correcte opmerking, maar is het niet slechts een tijdelijke reactie op een tegengestelde discriminatie?). Of nog opmerkelijker: het zou vrouwonvriendelijk zijn, omdat ik de schrijfsters als vrouw en niet als auteur zou benaderen.

Mijn voornemen is echter geen ideologisch statement. Het is een experiment, waarbij ik nieuwsgierig ben naar de uitkomst: welk effect heeft het als een man (n=1, dat wel) alleen boeken van vrouwen leest.

En ik maak één uitzondering: ik blijf wel Paustovski lezen. En ik hoop dat er even geen nieuwe P.F. Thomése uitkomt.

Zo haalde Paustovski me uit een depressie

Een kwart eeuw geleden werd ik plots emotioneel analfabeet. Ik kon nog lezen –werken zou anders wel erg lastig zijn geworden– maar lezen voor mijn plezier ging niet meer. Net zoals het toen niet meer tot me doordrong of voedsel me smaakte, misten woorden ieder doel. 

Het overviel me, want tot dan toe hadden boeken me juist door moeilijke perioden heen gehaald. Ik probeerde keer op keer de lettertroost te hervinden, maar zonder resultaat. Totdat ik een boek uit de kast pakte dat ik tien jaar eerder van mijn vader had gekregen.

Ik sloeg Begin van een onbekend tijdperk van Konstantin Paustovski (1892-1968) open, het derde deel van zijn zesdelige herinneringen over het eind van het Russische tsarenrijk, de Russische Revolutie en de daarop volgende burgeroorlog. Ik begon te lezen en kon het niet meer wegleggen. In zes weken las ik alle delen.

Ik kwam in een ritme terecht van een boek per week. Iedere vrijdag ging ik naar de boekhandel om een nieuw boek te kiezen; het mooiste moment van de week. En zo las ik me bij nacht en ontij uit mijn depressie.

Nu worden de boeken opnieuw uitgebracht: in tweetallen samenbonden in de Russische bibliotheek van Van Oorschot. Een uitnodiging om Paustovski weer te herlezen. In een rustiger tempo dit keer. Een hoofdstuk per dag, als delicatesse.

Bij de eerste hoofdstukken, over zijn jeugdjaren, overvalt me weer het gevoel van toen. De boeken ademen acceptatie van het leven. Want in iedere historische storm beschrijft Paustovski uiteindelijk het individu. (Zo kijk ik al uit naar de keer dat hij Lenin hoorde spreken op een plein, en hij alleen de reacties van de omstanders beschrijft. Sindsdien  zit ik bij bijeenkomsten regelmatig achterstevoren, om de gezichten van de aanwezigen te kunnen peilen).

Daarin schuilde waarschijnlijk ook het therapeutische effect. Paustovski laat zien dat je niet alleen bent. Dat iedereen het voor de kiezen krijgt, maar dat er zoveel moois rest. Vooral voor wie goed om zich heen blijft kijken.

Hoe laad je de e-reader vol met Duitse klassieken?

Heb je een e-reader en hou je van klassieke literatuur, dan is het internet een goudmijn. Neem bijvoorbeeld Project Gutenberg: daar worden sinds 1971 gedigitaliseerde boeken gepubliceerd. Al meer 50.000. Of de Digitale Bibliotheek Nederlandse Letteren met de klassieke Nederlandse literatuur.

Voor de liefhebber van Duitse boeken ligt de zaak iets ingewikkelder. Het Amerikaanse Project Gutenberg heeft een aantal boeken in het Duits. Veel meer zijn er te vinden bij Projekt Gutenberg op de site der Spiegel.

Helaas zijn de boeken alleen op de website zelf te lezen, met één webpagina per hoofdstuk. Wie een Kindle heeft kan ook bij Amazon terecht voor de boeken, maar met een e-reader die alleen epubs blieft, lijk je met lege handen te staan.

Maar er is geen internetprobleem of iemand heeft er een oplossing voor bedacht. Rainer Furtmeier ontwikkelde de Gutenberg ePub Generator. De URL van het eerste hoofdstuk invullen op zijn website en je kunt de ePub downloaden. Laat de e-reader maar vollopen met Goethe, Heine en Kafka.