Uitgelezen: Songbook van Ruud de Wild

Songbook van Ruud de Wild is bedoeld als catalogus bij een gelijknamige tentoonstelling over de geschiedenis van het Nederlandse lied in het Huis van het Boek. Door de corona-crisis is de tentoonstelling uitgesteld tot 2021. Er is wel al een online tentoonstelling en het boek.

Het achterliggende idee is dat radio-dj en kunstenaar Ruud de Wild op zoek gaat naar de geschiedenis vanaf de middeleeuwen van het Nederlandse lied. Hij wordt daarbij begeleid door boekhistoricus Gammelt Verhoeven en de beheerder van Nederlandse Liederenbank bij het Meertens Instituut Martine de Bruin.

Het levert een raar boek op. De grote lading foto’s van De Wild die bijzondere edities bekijkt levert weinig meerwaarde op. Vreemder is dat uit de bijdragen van De Wild nu niet erg veel liefde voor het nederlandstalige lied spreekt. Hij lijkt vooral de hitjes te kennen (van Hazes, Meeuwis). Zo is het typisch dat hij meldt nooit veel in Boudewijn de Groot gezien te hebben. Waarom zou je dat in dit boek willen melden?

Veel interessanter zijn de historische bijdragen van Verhoeven en De Bruin. Ze vertellen mooie anecdotes over de liederen. Zoals over een versie van het Wilhelmus waarin zijn zoon Frederik Hendrik te kakken wordt gezet. Of over de lange geschiedenis van de sinterklaasliederen.

Uitgangpunt zijn de bijzondere edities (logisch voor een uitgave van een boekenmuseum), geillustreerd met een groot aantal afbeeldingen. Opmerkelijk is dat hoe populairder uitgaves van liedjes waren, hoe minder exemplaren er vaak van bewaard gebleven zijn.

Tussen de regels komen ook de sociale aspecten naar voren. Het lied als samenbindend element, soms gebruikt om zich tegen een gezamenlijke vijand af te zetten. Een rol die het lied door de mechanische reproductie kleiner geworden lijkt te zijn. Het lied hoeft niet meer live (samen) gezongen te worden om beluisterd te worden.

Toen ik de overdosis van Ruud de Wild verwerkt had, las ik met veel interesse verder in het boek. Het maakt nieuwsgierig naar de tentoonstelling volgend jaar. Ik wil die mooie boeken wel eens in het echt zien. En misschien dat de vertraging ook nog helpt om er een mooie cd van te maken.

Come together – een bekering tot The Beatles

50 Jaar geleden, op 10 april 1970, werd bekend dat The Beatles uiteengevallen waren. De wereld stond op zijn kop. Ik niet, althans niet hierom. Ik was nog geen vier

In de jaren daarna werd mijn hoofd gevuld met Beatles-songs. Het waren klassiekers zonder context. Ze waren er, maar deden me niet zoveel. Toen een studievriend bijvoorbeeld vertelde dat hij een Vrij Nederland-abonnement genomen had vanwege het geschenk, alle platen van The Beatles op cd, begreep ik er niets van. Wat moest je met die oubollige muziek?

En zo gingen de jaren verder.

Tot een jaar geleden. Een collega ging speciaal naar Antwerpen om The Analogues Abbey Road live te horen recreëren. Het riep mijn nieuwsgierigheid op. Wat miste ik? Er moest toch meer schuilen in die schijnbaar uitgekauwde nummers.

Dus begon ik te luisteren. Eerst de radioserie Get Back uit 1987. In 26 delen zet Hans Schiffers de geschiedenis van de band op een rij. Vervolgens de podcast Fab4Cast. Het enthousiasme van Jan-Cees ten Brugge, Wibo Dijksma en Michiel Tjepkema spatte ervan af. Zoals in de aflevering over de totstandkoming van Strawberry Fields Forever.

Ik leerde dat de bekendste nummers niet altijd de mooiste waren. In my life in plaats van All you need is love, Paperback writer in plaats van Yesterday (en morgen weer andere favorieten). Hoorde met wat voor een zorg ze tot stand waren gekomen. Hoe de band zich ontwikkeld had. En welk boek ik zeker moest lezen als ik meer wilde weten.

Mark Lewisohns Tune In is het eerste deel van wat uiteindelijk een driedelige biografie moet worden. Dit deel, dat loopt tot de opname van hun eerste lp begin 1963, beslaat al zo’n 900 pagina’s. Het beschrijft de afkomst en jeugd van The Beatles, hoe ze elkaar tegenkwamen, de optredens in Hamburg en de eerste stappen naar succes. Een omgevallen boekenkast dus? Wat heeft zo’n boek toe te voegen aan de gigantische hoeveelheid informatie op het internet? Zoals bij de Beatles Bible?

Gelukkig is het boek niet het droge werk dat de ellenlange bronnen- en gesprekken lijst doet vermoeden. Als ik het in een paar woorden moet samenvatten, dan koos ik voor ‘tot leven wekken’. De hoofdpersonen, de bijfiguren, het Liverpool van de jaren veertig tot het begin van de jaren zestig.

Lewisohn doet dat bijvoorbeeld door uitgebreid te beschrijven welke muziek populair was in Liverpool en welke nummers The Beatles vormden en inspireerden. (Iemand heeft alle muziek, 19 uur in totaal, in een Spotify-lijst gezet, een prachtige aanvulling op het boek). De opwinding rond de opkomende rock and roll, gecombineerd met de zwarte soul, en de eclectische smaak van vooral McCartney zorgden voor een uitzonderlijke mix. Een mix die hoogstwaarschijnlijk nooit in de Verenigde Staten had kunnen ontstaan, waar muzieksmaak en veel meer in hokjes verdeeld waren.

De beschrijving van de muziek is maar een onderdeel van de kaleidoscopische aanpak van Lewisohn. Hij geeft ooggetuigenverslagen (waarbij hij velen nog net op tijd sprak), analyseert de werking van de muziekindustrie, gebruikt sociologische en psychologische invalshoeken. Daarbij is zijn onderwerp breder dan John, Paul, George en Ringo (en de eerdere bandleden Stu en Pete). Hij laat ook uitgebreid zien hoe doorslaggevend de rol van manager Brian Epstein en en producer George Martin was.

Uiteindelijk ontstaat het beeld wat een onvoorstelbaar toeval het ontstaan en het succes van The Beatles was. De juiste mensen die elkaar op het juiste moment tegenkomen en elkaar niet loslaten. Pure chemie.

Het als het leven op aarde. Als de zon iets groter was, de aarde geen maan en magnetische polen had, als Jupiter het ruimte puin niet weegveegde, dan was het hier woest en leeg gebleven. Maar omdat we hier zijn, is het bijna ondoenlijk om een voorstelling te hebben van hoe groot de kans was geweest dat we er niet zouden zijn geweest.

Net zo is de muziek van The Beatles een gegeven dat niet weg te denken is. Maar als Paul op 6 juli 1957 niet in gesprek was geraakt met John, als niet twee andere bands de uitnodiging om in Hamburg op te treden hadden afgeslagen (en zo de kans aan The Beatles lieten), als George Martin niet gedwongen was om zes nummers van The Beatles op te nemen (hij vond hun muziek aanvankelijk niets), dan hadden we nooit van ze gehoord. En dat zijn maar drie van de vele beslissende momenten.

Na me maanden in The Beatles te hebben ondergedompeld, ben ik bekeerd. Het was niet zomaar een band, het was een wonder. En je weet: late bekeringen zijn het heftigst.

En dan staan we met de trilogie nog maar aan het begin. Lewisohn, nu 62 jaar, verwacht nog zo’n 15 jaar nodig te hebben om de reeks te voltooien. Deel 2 verschijnt zeker niet voor 2023. In de tussentijd genieten we maar van de muziek.

Dirty blvd.

Het lijkt al een eeuwigheid geleden: de release van New York van Lou Reed in januari 1989. De muur stond nog; niemand voorzag dat hij binnen een jaar verdwenen zou zijn.

Twee jaar eerder had ik Lou Reed op Pinkpop gezien. Hij had weinig indruk op me gemaakt. Misschien omdat hij op het laatste moment mijn favoriete band The Smiths verving (achteraf bleken ze inmiddels uit elkaar gegaan te zijn). Misschien omdat generatiegenoot Iggy Pop vele malen energieker was. Lou Reed leek vijftien jaar na briljante albums als Berlin en Transformer, aan het eind van zijn Latijn.

Ik was dus erg verbaasd van hoe goed New York bleek te zijn. Een prachtige sound, opgeroepen met analoge apparatuur (tot en met buizenversterkers). Krachtig. En bovenal vol van beat poetry.

Zo mooi als ik de plaat toen al vond, kon ik niet vermoeden dat één song met me mee zou groeien: Dirty blvd.. Jaar na jaar begon het nummer meer voor me te beteken. Nu, na 29 jaar, durf ik het bijna het mooiste rocknummer te noemen dat ik ken. Er kan geen Top 2000 tegenop (en ook geen Perfect Day of Sweet Jane).

Het nummer begint met twee maten aangeslagen akkoorden (GDAD), gevolgd door twee maten herhaalde stijgende toonladder. Deze vier maten voorspiegelen de rest: het monotome leven en de slagen die je oploopt, maar ook de ontsnapping via de weg omhoog.

Dan zet Lou Reed in. Geen briljante zangstem, maar een uiterst doeltreffend parlando.

Pedro lives out of the Wilshire Hotel
he looks out a window without glass
The walls are made of cardboard, newspapers on his feet
his father beats him ‘cause he’s too tired to beg

He’s got 9 brothers and sisters
they’re brought up on their knees
it’s hard to run when a coat hanger beats you on the thighs
Pedro dreams of being older and killing the old man
but that’s a slim chance he’s going to the boulevard

De toon is gezet. Pedro is gevangene van zijn situatie, zijn vader de cipier. Geen ontsnappen aan. Hier rest slechts dwangarbeid op de smerige straten. De drummer begint te spelen met harde slagen om het refrein in te leiden.

He’s going to end up, on the dirty boulevard
he’s going out, to the dirty boulevard
He’s going down, to the dirty boulevard

Nu verschuift het perspectief.

This room cost 2,000 dollars a month
you can believe it man it’s true
somewhere a landlord’s laughing till he wets his pants

Het gaat niet alleen om Pedro, maar ook om degenen die de ellende veroorzaken.

No one here dreams of being a doctor or a lawyer or anything
they dream of dealing on the dirty boulevard

Een alliteratie op D. Down, down, down. Maar nu richten we onze blik omhoog.

Give me your hungry, your tired your poor I’ll piss on ‘em
that’s what the Statue of Bigotry says
Your poor huddled masses, let’s club ‘em to death
and get it over with and just dump ‘em on the boulevard

Het is niet alleen kwaad wat Pedro wordt aangedaan, het is ook verraad van de Amerikaanse waarden.

Get to end up, on the dirty boulevard
going out, to the dirty boulevard
He’s going down, on the dirty boulevard
going out

Nog hoger gaan we. Een helikopterview, als vlogen we over de stad als Boelgakovs Margarita over Moskou, of als de engel in Der Himmel über Berlin.

Outside it’s a bright night
there’s an opera at Lincoln Center
movie stars arrive by limousine
The klieg lights shoot up over the skyline of Manhattan
but the lights are out on the Mean Streets

A small kid stands by the Lincoln Tunnel
he’s selling plastic roses for a buck
The traffic’s backed up to 39th street
the tv whores are calling the cops out for a suck

Waar Lincoln het land bijeen wilde brengen is een grote breuk ontstaan.

And back at the Wilshire, Pedro sits there dreaming
he’s found a book on magic in a garbage can
He looks at the pictures and stares at the cracked ceiling
“At the count of 3” he says, “I hope I can disappear”

And fly fly away, from this dirty boulevard
I want to fly, from dirty boulevard
I want to fly, from dirty boulevard
I want to fly-fly-fly-fly, from dirty boulevard

Na onze reis over de stad keren we terug bij Pedro. Hij droomt, maar niet meer over ‘down to the boulevard’. Hij kijkt omhoog (als Sammie) naar het gebarsten plafond. Want hij vond een boek over toverkunst in het vuilnisvat.

Gaat het wel over toveren, of gaat het over kunst? Kunst die je laat ontsnappen. Hoor maar: fly-fly-fly-fly. Vier korte slagen van het vogeltje dat probeert op te stijgen. En het lukt.

I want to fly away
I want to fly
Fly, fly away
I want to fly
Fly-fly away (Fly a-)
fly-fly-fly (-way, ooohhh...)
Fly-fly away (I want to fly-fly away)
fly away (I want to fly, wow-woh, no, fly away)

En daar gaat hij, over de stad. In drie minuten hebben we een Dickens-achtige vlucht gemaakt van de goot naar de hemel. Een samenleving doorgrond. Een emotie doorlopen van diepe wanhoop naar vervoering.

Stukje bij beetje heb ik het nummer leren kennen. Het had vast sneller gekund, maar zo is het langzaam onder mijn huid gaan zitten. Zodat bij het toverboek in het vuilnisvat een brok in mijn keel zit.

Waarom duurde het zo lang? Wellicht was ik er nog lang niet aan toe. Omdat ik me, begin 20, onvoldoende bewust was van mijn bevoorrechte positie. Omdat ik nog wat slagen van het leven nodig had om te weten hoe bevrijdend kunst kan zijn.

’t Es nog al nie naar de wuppe

2017 kan voor mij maar met één song afgesloten worden: Naar de wuppe van de Belgische band Het zesde metaal.

(Hier live met rapper Brihang).

Twee weken geleden had ik nog niet van Het zesde metaal gehoord. Toen wees Maartje Luif via Twitter erop dat op de VRT-radio de Belpop 100 werd uitgezonden. Een lijst vol van herkenning en verrassing. Nummer 1 was het nummer Ploegsteert (2012). Een mooi melancholisch werk over het tragische leven van wielervedette Frank Vandenbroucke.

Het smaakte naar meer. Zo kwam ik bij hun laatste plaat, Calais uit 2016. Met het energieke, Naar de wuppe. Nu zingt Wannes Capelle, die ook nog een tijd in Roosbeef speelde, in plat Westvlaams, dus waar het over ging, daar had ik maar een half idee van.

Tijd voor een tweede ontdekking: het Vlaams Woordenboek. (Internet zoals internet bedoeld is: samen kennis vermeerderen). Dat leerde dat ‘naar de wuppe’, ‘naar de kloten’ betekent.

Het telkens terugkerende ‘’t es al niet naar de wuppe’ betekent dus: ‘het is nog steeds niet naar de kloten’. Een beetje als het Poolse volkslied: En nog is Polen niet verloren.

Is er een mooiere afsluiting van 2017? Het jaar om van de ene verbijstering in de andere te rollen. Een nieuwe wereldorde van domheid. Van cultuuroorlogen, omdat we zijn vergeten hoe echte oorlog voelt. Een jaar om te piekeren. Maar toch ook telkens het mooie, het verrassende.

Laat 2018 het jaar worden waar we buiten onze bubbel treden. Want daar zijn de mooiste ontdekkingen te doen.

Hee gaode mee? 40 jaar liedjes van Gerard van Maasakkers

Het was de dag na Coming Out Day. De stad, in rouw om haar burgervader, had niet gevlagd. In De Kleine Komedie begon een zanger aan zijn jubileumtoernee: 40 jaar liedjes.

160 liedjes schreef Gerard van Maasakkers in die periode. Pareltjes. Voor velen verborgen gebleven, doordat ze in het Brabants geschreven zijn. Zo zonde.

Voor mij is Gerard van Maasakkers het toonbeeld van het échte levenslied. Niet de sentimentele, eendimmensionele variant, maar de fijngevoelige versie. Als ik naar hem luister lijkt het leven eenvoudig, met zijn geluk en verdriet. Eenvoudiger dat het werkelijk is, omdat Van Maasakkers zich beperkt tot de kern. Die paar mensen om je heen die er echt toe doen. Het samen leven. Soms wil je dat het leven niet meer is dan dat.

Het laatste (officiële) liedje van het concert was Hier heur ik thuis. Treffender kan het niet, ook als je niet uit Brabant komt. Want zijn teksten kennen een spanning tussen het zich vrijvechten aan de ene kant, en het wortelen aan de andere kant. Daarmee raakt hij een diep verlangen. Mag ik erbij horen, ook als ik anders ben?

Harry is God

Op een mooie pinksterdag verschenen ineens de eerste vijf afleveringen van De Grote Harry Bannink Podcast van Gijs Groenteman.

Harry Bannink (1929-1999) was de componist van zo’n 3.000 liederen, bijvoorbeeld uit de tv-programma’s en musicals van Annie M.G. Schmidt, de Stratemakeropzeeshow, J.J. de Bom, Klokhuis en Sesamstraat. Denk aan ‘Vluchten kan niet meer’, ‘Het is over’, ‘Zeur niet’, ‘Frekie’, ‘De meisjes uit vervlogen dagen’ en het ‘Poep- en piesmenuet’.

Iedere aflevering van de podcast bestaat uit een gesprek van ongeveer een uur met iemand die veel met Bannink heeft samengewerkt: schrijver Hans Dorrestijn, zangeres Jenny Arean, drummer Chris Dekker, acteur/zanger Joost Prinsen en componist/arrangeur Henny Vrienten.

Het zijn prachtige, ontroerend weemoedige gesprekken. Want Bannink wordt gemist. En iedereen is het erover eens: Bannink was een onnavolgbaar genie. Dat blijkt extra uit de vele (bij mij althans) onbekende liedjes waar Gijs Groenteman en de geïnterviewden samen naar luisteren.

Toch zit het geheim van de podcast niet alleen in de grootheid van Harry Bannink. Hij is de onbereikbare (die vriendschap op een afstand hield), door allen aanbeden. En net zoals de Bijbel niet zozeer over God gaat, maar juist over de omgang van feilbare stervelingen met hem, zo gaat de podcast minstens zo zeer over de worstelingen van de kunstenaars rond Bannink. Over hun zwoegen, afgunst, melancholie, plezier. En daarmee geeft het een prachtig beeld van de gouden eeuw van het Nederlandse lied.

Ik wou maar zeggen: doodzonde als je niet luistert.

Via iTunes, Soundcloud, de website of zoek het op met je podcastapp.

299 uur om een gitaar te bouwen

Tijd voor iets moois uit Griekenland?

Vassilis Lazarides bouwt flamenco-gitaren. 299 uur werkt hij aan één instrument. In rust en concentratie.

deepgreensea maakt films. Ze weten het werk van Lazarides in drie minuten samen te vatten in The Art of Making. Alma Flamenca. Een eerste film in een serie, met naar eigen zeggen als doel to display and highlight certain people, which go against the spirit of today’s pessimism and desperation.