Filmrecensie: Los amantes del círculo polar

  • Spanje, 1998
  • Regie: Julio Medem
  • Met: Victor Hugo, Kristel Diaz, Nancho Novo, Maru Valdivieso
  • Scenario: Julio Medem
  • Camera: Gonzalo F. Berridi
  • Montage: Ivan Aledo
  • Muziek: Alberto Iglesias
  • kleur, , 116 minuten
  • Gezien: 14 september 1999, Sneak preview, Camera, Utrecht

De Spaanse regisseur Julio Medem houdt van visuele bravoure. Zo kwam de kijker in Vacas via de pupil in het binnenste van een koe en was La ardilla roja voor een deel gefilmd vanuit het gezichtspunt van een door de bomen klauterende eekhoorn. Zijn nieuwste film, Los amantes del circulo polar (De minnaars van de poolcirkel), is ingetogener. De balans is iets meer naar de tekst verschoven, maar gelukkig is hij de kunst van de beeldtaal niet verleerd.

Otto (Peru Medem, Fele Martinez, Victor Hugo) en Ana (Sara Valiente, Najwa Nimri, Kristel Diaz) ontmoeten elkaar als ze acht zijn en er is meer dat hen aantrekt dan hun gespiegelde namen. Als zijn vader en haar moeder met elkaar trouwen worden hun heimelijke ontmoetingen allengs heftiger. Maar er tikt een tijdbom: ze zoeken in elkaar hun verloren ouders.

Medem past ervoor om een rechtlijnig verhaal te vertellen. Om en om filmt hij de gebeurtenissen vanuit het oogpunt van Otto en Ana en midden in scenes schakelt hij tussen de acteurs die de jeugdige en de volwassen personages spelen. Het zijn geen originele methodes, maar ze werken goed om de film een subjectief en droomachtig gevoel te geven.

Hoewel het camerawerk minder uitbundig is dan in zijn eerdere films, tovert Medem in Los amantes del circulo polar weer beelden voor die zich in het geheugen vastzetten, zoals een zoen onder het bed of papieren vliegtuigjes die uit een raam vliegen. Hij is een regisseur die het vooral van atmosfeer moet hebben. De bijna continue muziek van Alberto Iglesias draagt daar voor een belangrijk deel aan bij.

Of Los amantes del circulo polar werkelijk overtuigt hangt af van de bereidheid van de kijker om de wat gezochte constructie van het verhaal te accepteren. Wie geloofwaardigheid zoekt kan deze film beter mijden. De film zit vol met thema’s die in cirkelbewegingen met elkaar verbonden zijn. Het levert een romantisch sprookje op dat, zoals goede sprookjes betaamt, ook zijn scherpe kanten heeft. De boodschap mag dan wel zijn dat de geliefden voor elkaar bestemd zijn, de film doet je afvragen in hoeverre dat niet eerder tragisch dan gelukkig is. En van een zoet slot is ook al geen sprake.


  • Cijfer (0-10): 8

Filmrecensie: The big Lebowski

  • Verenigde Staten, 1998
  • Regie: Joel Coen
  • Met: Jeff Bridges, John Goodman, Julianne Moore, Steve Buscemi, John Turturro
  • Scenario: Ethan Coen en Joel Coen
  • Camera: Roger Deakins
  • Geluid: Skip Lievsay
  • Montage: Ethan Coen en Joel Coen (als Roderick Jaynes) en Tricia Cooke
  • Art directie: Rick Heinrichs
  • Muziek: Carter Burwell
  • Technicolor, DTS/Dolby Digital/SDDS, 117 minuten
  • Gezien: 5 mei 1998, Sneak Preview, Camera Utrecht

Iedere film van de Coen-broers (Raising Arizona, Fargo) verschilt sterk van de voorafgaande. Toch is er een element dat ze verbindt: de groteske humor. Bij The big Lebowski is de humor de kern: het verhaal lijkt bijzaak, eigenlijk is het een grote McGuffin.

Zoals gewoonlijk zijn de dialogen prachtig. Maar er is deze keer ook een flinke dosis slapstick aanwezig. Het opmerkelijke is, dat een behoorlijk aantal grappen niet bijster origineel zijn, terwijl je ze toch niet ziet aankomen. Ze worden zo goed in beeld gebracht en getimed, dat ze weer oorspronkelijk worden. De humor van de Coens is altijd wat afstandelijk. Dit is niet aan iedereen besteed. Maar voor wie er van houdt is hij onovertroffen

De film gaat over de aan lager wal geraakte Lebowski (Jeff Bridges), bijgenaamd The Dude, die op een dag bezoek krijgt van een aantal ongure types. Ze zeggen dat zijn vriendin hun baas geld schuldig is, terwijl de Dude geen vriendin heeft, en pissen op zijn kleed. De Dude ontdekt dat hij een rijke naamgenoot heeft, die het doelwit was. Als hij bij hem verhaal gaat halen begint de ellende, zeker als zijn bowlingmaatje Walter (John Goodman) zich ermee gaat bemoeien.

De broers hebben ook een gelukkige hand in het uitzoeken van de acteurs. Ze kiezen meer voor karakter dan voor uitstraling. Jeff Bridges is de meester de sulligheid en John Goodman doet weinig voor hem onder. John Turturro komt maar in twee scenes opdagen, maar laat een onuitwisbare indruk achter als een hele foute bowlingspeler.

En dan is er natuurlijk de vormgeving. Ook al zo’n punt waar de broertjes in uitblinken. In The big Lebowski hebben ze de slonzigheid van het dagelijks leven geplaatst tegenover de rijkheid van dromen. Die dromen geven de gelegenheid om een uitstapje te maken naar andere filmgenres en dat levert heerlijke scenes op. En een bowlingbaan ziet er voorgoed anders uit, al is het maar omdat je hem vanuit een bowlingbal bekeken hebt.

Op het eerste gezicht is The big Lebowski niet zo’n gelaagd meesterwerk als bijvoorbeeld Fargo. Maar het kijken blijft een feest door de dialogen, het spel en de vormgeving. Het was lang geleden dat ik zo hard gelachen heb bij een film en ik geloof niet dat ik de enige was in de zaal.

  • Cijfer (0-10): 9

Filmrecensie: Boogie nights

  • Verenigde Staten, 1997
  • Regie: Paul Thomas Anderson
  • Met: Mark Wahlberg, Burt Reynolds, Julianne Moore, John C. Reilly
  • Scenario: Paul Thomas Anderson
  • Camera: Robert Elswit
  • Geluid: Stephen Halbert
  • Montage: Dylan Tichenor
  • Art directie: Bob Ziembicki
  • Muziek: Michael Penn
  • Color DeLuxe, Dolby stereo/SDSS, 155 minuten
  • Gezien: 17 februari 1998, Sneak Preview, Camera, Utrecht

Dat Paul Thomas Anderson een talent heeft voor sfeervolle scenes, waarin de inhoud er niet te dik opgelegd wordt, is gebleken uit Hard eight. Ook zijn tweede film, Boogie nights is er getuige van. Maar het vertellen van een strak en coherent verhaal gaat hem minder goed af. Met tweeenhalf uur is de film veel te lang. Een ervaren scriptschrijver had misschien wonderen kunnen doen.

Boogie nights beschrijft de hoogtijdagen en neergang van de pornofilmindustrie in de jaren zeventig en tachtig. De pornoregisseur Jack Horner (Burt Reynolds) ontdekt de zeventienjarige Eddie (Mark Wahlberg), die geschapen lijkt om een ster te zijn. Eddie komt in het gezelschap terecht dat nog het meest op een grote familie lijkt. De vrouw van Jack Horner, en vrouwelijke ster van zijn films, Amber Waves (Julianne Moore), bemoedert iedereen, omdat zij haar echte kind niet te zien krijgt. Rollergirl (Heather Graham) is tot alles bereid, als ze haar skates maar aan mag houden. Reed Rothchild (John C. Reilly) wordt de broer die Eddie in het echte leven zo ontbeert. Maar naarmate het succes groter wordt, ontsporen de onderlinge verhoudingen.

Wie een seksueel opwindende film verwacht zal teleurgesteld zijn. Boogie nights is explicieter maar gelijk ook gevoeliger dan de andere film over de pornoindustrie van het afgelopen jaar, The people vs. Larry Flynt. Paul Thomas Anderson is niet uit op sensatie, maar probeert de mensen te doorgronden.

Anderson lijkt sterk beïnvloed te zijn door Robert Altman. Het eerste shot, waarin de camera een discotheek ingaat en er tijden ronddraait totdat er een schnitt volgt is een homage aan The player. Ook de veelheid van levensverhalen doet denken aan de oude meester. Maar Anderson mist de controle van Altman. De verweving van de verschillende levensverhalen doet rommelig aan. Door de voortdurende sprongen komt geen enkel karakter echt goed uit de verf.

Maar sommige scenes doen het rommelige karakter van de film vergeten. Zo is er het moment dat Amber en Eddie voor het eerst samen gaan acteren. De tederheid waarmee ze van te voren de seksscenes doornemen is van een verwarrende pracht. Staan hier nu twee acteurs, twee geliefden of moeder en zoon tegenover elkaar? De film zit vol met dit soort verrassende rolwisselingen. Stoere mannen die pruilen als kleine kinderen, lieve meisjes die doorslaan. Voortdurend word je op het verkeerde been gezet.

Julianne Moore is de onbetwiste ster van de film. Zij weet in een blik zoveel lagen te leggen, dat het door merg en been gaat. Om van een pornoactrice zo’n liefdevol wezen te maken is grote klasse nodig. Maar ook de rest van de cast liegt er niet om. Burt Reynolds weet met kleine middelen een groot charisma uit te stralen en Mark Wahlberg lijkt moeiteloos de grote omslagen in zijn karakter neer te zetten.

Als extraatje heeft de film nog een prachtige soundtrack die het jaren zeventiggevoel direct oproepen. De songs zijn zo met de film verweven dat ze er een onlosmakelijk onderdeel van uit zijn gaan maken.

Boogie nights is een ‘brilliant mistake’. De film is te lang en te rommelig om een succes te zijn. Maar sommige onderdelen zijn zo mooi, dat ik vol verwachting uitkijk naar de volgende film van Paul Thomas Anderson.

  • Cijfer (0-10): 7

Filmrecensie: The boxer

  • Ierland, 1997
  • Regie: Jim Sheridan
  • Met: Daniel Day-Lewis, Emily Watson
  • Scenario: Jim Sheridan & Terry George
  • Camera: Chris Menges
  • Montage: Gerry Hambling
  • Art directie: Brian Morris
  • kleur, DTS, 113 minuten
  • Gezien: 10 februari 1998, Sneak Preview, Camera Utrecht

De samenwerking tussen regisseur Jim Sheridan en acteur Daniel Day-Lewis is een vruchtbare. Met My left foot en In the name of the father hebben ze aardig wat prijzen binnengehaald. Of dat met The boxer gaat lukken is maar zeer de vraag.

De bokser Danny Flynn (Daniel Day-Lewis) heeft veertien jaar in de gevangenis gezeten wegens terroristische activiteiten voor de IRA. Als hij vrijkomt, wil hij niets meer met het sectarische geweld te maken hebben. Hij start een boksschool voor katholieken en protestanten om de kinderen van Belfast een uitweg te bieden. Maar de IRA, verdeeld over een mogelijke wapenstilstand, laat hem niet met rust. Dat hij achter zijn oude vriendin Maggie (Emily Watson) aanzit maakt het er niet gemakkelijker op. Want zij is inmiddels getrouwd met een IRA-lid, die nog in de gevangenis zit. Bovendien is ze de dochter van de plaatselijke IRA-leider.

Het verhaal van The boxer kent een aantal aardige gegevens (de strijd om vrede in een terreurorganisatie, de keuze van de vader tussen de organisatie en zijn dochter, de spanning tussen oude geliefden), maar ze worden niet sterk uitgewerkt. De personages blijven zwart-wit en hun drijfveren worden maar oppervlakkig aangeduid. Zo is er de zoon van Maggie die zich aanvankelijk verzet tegen haar contact met Danny. Hij ziet het als verraad van zijn vader. Ineens geeft hij zijn verzet op, zonder dat het duidelijk wordt waarom.

De show in The boxer wordt gestolen door Emily Watson. Haar rol is ingetogener dan in Breaking the waves, maar met een simpele blik kan ze boekdelen spreken. Daniel Day-Lewis moet een man spelen die de chaos om hem heen onbewogen aankijkt. Het gaat hem niet geweldig af, hij lijkt meer gebaat bij rollen die iets meer onderhuidse spanning kennen. De bijrollen zijn, zoals in zoveel Britse en Ierse films, uitstekend bezet.

De montage is zo slordig, dat het stoort. Tweegesprekken lopen niet, en de bokspartijen zijn zo rommelig, dat het niet duidelijk wordt wie wie slaat. Nog ergerlijker is het muziekgebruik. Zo wordt een straatoproer begeleid met een romantisch deuntje. Het druist in tegen de boodschap van The boxer: dat Belfast te gronde gaat aan het geweld.

Na My left foot en In the name of the father is The boxer een tegenvaller. Het spel zorgt er nog voor dat de film het aanzien waard is, maar het kan niet verhullen dat hij in verhaal en techniek de nodige scherpte mist.

  • Cijfer (0-10): 6

Filmrecensie: Batman & Robin

  • Verenigde Staten, 1997
  • Regie: Joel Schumacher
  • Met: Arnold Schwarzenegger, George Clooney, Chris O’Donnel, Uma Thurman, Alicia Silverstone, Michael Gough
  • Scenario: Akiva Goldsman, Christopher McQuarrie
  • Camera: Stephen Goldblatt
  • Geluid: Petur Hliddal
  • Montage: Dennis Virkler
  • Art directie: Barbara Ling
  • Muziek: Elliot Goldenthal
  • kleur, 130 minuten
  • Gezien: 15 juli 1997, Sneak Preview, Camera Utrecht

Of ik een film nu prachtig of vreselijk vind, hoogst zelden heb ik het gevoel dat ik in de bioscoop mijn tijd zit te verdoen. Maar bij Batman & Robin, de vierde uit de Batman-reeks, overviel me het verlangen naar huis. Waar kwam dit vandaan?

Batman & Robin is een product van absolute ongeinteresseerdheid. Of het nu de regie, het script, het spel of de decors zijn, het is allemaal een rommeltje. De makers weten dat ze aan een film bezig zijn die zichzelf wel verkoopt en dus hun zakken zal vullen. Buiten deze financiële overwegingen lijkt er geen enkele reden te zijn waarom deze film gemaakt moest worden. Waarom zou ik er dan naar moeten kijken?

Deel drie uit de reeks, Batman forever, ook geregisseerd door Joel Schumacher, was al geen hoogtepunt. Maar er viel nog voldoende te genieten, bijvoorbeeld van de vileine Tommy Lee Jones en de doorgedraaide James Carrey. In superheldenfilms zijn het juist de schurken die de sjeu moeten brengen. In Batman & Robin krijgen we te maken met Arnold Schwarzennegger. Hij speelt de gedeprimeerde wetenschapper Mr. Freeze die zijn doodzieke vrouw heeft ingevroren om op zoek te gaan naar een geneeswijze. Helaas is hij uitgegleden bij het bassin vloeibare stikstof, waardoor hij alleen maar in leven kan blijven bij temperaturen onder het vriespunt. Omdat hij geen ondersteuning krijgt bij zijn medische onderzoeken besluit hij heel Gotham City te bevriezen. Je ziet het aan en denkt “Ach jochie toch.” Niet echt een reactie die een schurk dient op te roepen.

Kompaan in het kwaad is Poison Ivy (Uma Thurman), strijdster voor de plantenwereld. Om die te laten overleven wil ze de dierenwereld, inclusief de mensheid, verdelgen. Ze weet alle mannen te betoveren met haar parfum, om ze dan om te brengen met haar giftige lippen. Er is een klein probleempje: Thurman heeft de erotische uitstraling van een dovenetel, en daardoor zijn al haar pogingen de rol met overtuiging neer te zetten bij voorbaat gedoemd te mislukken.

Zijn de schurken nogal slap, de helden krijgen al helemaal niet de gelegenheid iets van de film te maken. Batman (George Clooney) en Robin (Chris O’Donnell) zoeken de grenzen van hun wederzijds vertrouwen en moeten daarbij sentimentele teksten uitslaan die geen enkele acteur behoorlijk uit de mond zou krijgen. Als de butler Alfred (vaste kracht Michael Gough) ook nog stervend blijkt te zijn kunnen de tenen helemaal gekromd worden. Enig lichtpunt is de verschijning van het nichtje van Alfred (Alicia Silverstone). Zij brengt de energie die de andere rollen zo missen. Maar waarom hier een Britse rol met een vet Amerikaans accent gespeeld wordt blijft een raadsel.

Maar vooruit, Batman-films draaien niet om script of spel, maar vormgeving en actie. Helaas, Gotham heeft zijn intrigerende, duistere naargeestigheid verloren. Het is niet meer de hoofdstad van camp, maar van kitsch. Wie deze kleurenbagger bij elkaar verzonnen heeft mag wat mij betreft terug naar de houtskoolklas. En dan te bedenken dat regisseur Schumacher ooit als vormgever begonnen is.

Met de actiescenes is het al even droevig gesteld. Door gebrek aan opbouw en rommelige choreografie en montage zijn ze al even morsig geworden als de rest van de film. Een fietstochtje door de stad zorgt voor meer adrenaline.

Toen ik na de film weer buiten stond realiseerde ik dat ik me in ruim twee uur welgeteld tien seconden geamuseerd had. Het wordt tijd om Batman en Robin te laten spelen met hun batmobiles op te sluiten met hun Battoys en iets nieuws te bedenken.

  • Cijfer (0-10): 2

Filmrecensie: Bean

  • Verenigd Koninkrijk, 1997
  • Regie: Mel Smith
  • Met: Rowan Atkinson, Peter MacNicol, Burt Reynolds
  • Scenario: Richard Curtis, Robin Driscoll, Rowan Atkinson
  • Camera: Francis Kenny
  • Geluid: Robert Anderson
  • Montage: Chris Blunden
  • Art directie: Peter Larkin
  • kleur, 90 minuten
  • Gezien: 1 juli 1997, Sneak Preview, Camera Utrecht

De eerste keer dat ik Rowan Atkinson Mr. Bean zag spelen viel ik daadwerkelijk van de bank van het lachen. De volgende keren kon me beter in bedwang houden, maar de elastische koppen van Atkinson, het vileine en het onhandige van Bean, de bekrompen Engelse wereld: het bleef heerlijk om naar te kijken. Ik juichte dus toch een beetje mee toen Bean: the ultimate disaster movie in de Sneak Preview gedraaid werd.

Maar helaas. Bean is bedoeld om de Amerikaans markt te veroveren, niet om de fans een plezier te doen. Een aantal grappen is regelrecht uit de tv-afleveringen gehaald. Deze dienen om een verhaaltje aan te kleden, dat afzichtelijk dun is. Een Amerikaanse galerie vraagt aan de Londense National Galery om een belangrijk kunsthistoricus te sturen voor een reeks voordrachten. Ze vaardigen echter de meest vreselijke zaalwacht af: Bean. Deze weet bijna de carriere en het huwelijk van zijn gastheer (Peter MacNicol) te gronde te richten.

Natuurlijk valt er te lachen bij Bean. Maar door het gekunstelde verhaal is de film lang niet zo leuk als de tv-afleveringen. Je zult me niet snel horen zeggen dat je beter het kleine scherm kunt bekijken dan het bioscoopdoek. Nu wel helaas.

Een van de problemen van Bean is, dat het karakter van Mr. Bean zo aangetast is, dat het een stuk minder leuk geworden is. In een sketch van een kwartier kan Bean uitstekend een van de wereld afgesloten, zwijgend en onhandig type zijn. Maar tenzij je een remake van Rain man wil maken, is dat voor een avondvullende film niet vol te houden. Dus Bean moet praten en een persoonlijkheid hebben, en dat is nou net niet z’n sterkste kant (in tegenstelling tot Blackadder). Daarnaast komt de mimiek van Atkinson veel beter tot z’n recht op het tv-scherm, dat geknipt is voor close ups.

Voor Bean-fans (en wie is dat niet) zal de film Bean waarschijnlijk tegenvallen, terwijl het maar de vraag is of de Amerikaanse markt Jim Carrey wil inruilen voor de meer ingetogen Atkinson. Maar dat de film een artistieke mislukking is zal wel niet inhouden dat het ook een financiele misser wordt.

  • Cijfer (0-10): 6

Filmrecensie: All stars

  • Nederland, 1997
  • kleur
  • Met: Antonie Kamerling, Danny de Munk, Daniel Boissevain, Thomas Acda, Isa Hoes, Daphne Deckers, Ellen ten Damme, Hans Dagelet en Frits Lambrechts
  • Regie: Jean van de Velde
  • Scenario: Micha Alexander en Jean van de Velde
  • Gezien: 22 april 1997, Sneak Preview, Camera, Utrecht

All stars is vol van sterren, bekend van radio en tv. Dat het sterdom weinig te maken heeft met speltalent maakt de film schrijnend duidelijk. Bovendien is het verhaal een ongelukkige menging van leut en zware onderwerpen. Regisseur Jean van de Velde (De kleine blonde dood) was aanvankelijk aangezocht als ‘scriptdoctor’ en hij had zich beter wat meer op die taak kunnen richten.

All stars draait om zeven vrienden die als jochies in hetzelfde voetbalelftal terecht kwamen en vijftien jaar later nog steeds samen spelen, ondanks het karige succes. Binnenkort spelen ze hun vijfhonderdste wedstrijd, en Bram (Danny de Munk) wil er iets moois van maken. Maar zijn teamgenoten hebben het eigenlijk te druk. De ene moet wennen aan de zwangerschap van zijn vriendin, de andere probeert zijn rijke vader te ontlopen, de volgende neemt juist zijn invalide vader in huis. Wat betekent het team eigenlijk nog voor hen?

Voor wie elke zondag op het veld staat zit de film vol met bekende humor. En als je er tegen kan dat Feijenoord voor schut gezet wordt, dan ben je verzekerd van een aantal lachsalvo’s. Had Jean van de Velde zich daartoe beperkt, dan was er weinig met de film mis geweest.

Maar Van de Velde wil een aantal serieuze onderwerpen aansnijden: homoseksualiteit, vader-zoon verhoudingen, de moeizame verhoudingen tussen de jongens die niet willen opgroeien en hun vriendinnen. Daarvoor is het nodig dat zijn acteurs serieuze scenes spelen. En dan wreekt zich het aantrekken van populaire tv-sterretjes. Je krijgt bijna medelijden met Danny de Munk. Antonie Kamerling toont dat hij wat meer ervaring heeft, maar echt overtuigend is hij ook niet te noemen. Daphne Deckers kan niet meer dan betoverend uit haar blauwe ogen kijken. Het enige goede spel komt van twee oudgedienden: Hans Dagelet en Frits Lambrechts. Als zij in beeld zijn lijkt het ineens of je naar een heel andere film zit te kijken.

All stars had een vermakelijke film over een vriendenclub kunnen zijn. Het is echter een jongenssoap geworden. Als ik een soap wil zien, dan zet ik de televisie wel aan.


  • Cijfer (0-10): 4

Filmrecensie: Blood and wine

  • Verenigde Staten/Verenigd Koninkrijk, 1996
  • Regie: Bob Rafelson
  • Met: Jack Nicholson, Stephen Dorff, Michael Caine, Judy Davis, Jennifer Lopez, Harold Perrineau Jr.
  • Scenario: Nick Villiers en Alisson Cross
  • Camera: Newton Thomas Sigel
  • Montage: Steven Cohen
  • Art directie: Richard Sylbert
  • Muziek: Michal Lorenc
  • De Luxe color, Dolby digital, 100 minuten
  • Gezien: 25 februari 1997, Sneak Preview, Camera Utrecht

Zet een sneakpubliek in het donker en projecteer de naam van Jack Nicholson. Een gejuich breekt los. Vertoon daarna de naam van Michael Caine en het blijft stil. Blood and wine, de nieuwe film van veteraan Bob Rafelson, geeft Nicholson weer de kans zijn kunnen te laten zien, maar Caine steelt de show. En daarmee is het enige positieve over de film gezegd.

Blood and wine speelt in en om Miami. Nicholson is een niet te succesvolle wijnhandelaar die te veel geld uitgeeft aan mooie jonge dames. Zijn vrouw, Judy Davis, is zijn gekonkel aardig zat, en zijn stiefzoon, Stephen Dorff, die het liefste haaien vangt, is ook al niet erg op hem gesteld. Vader en zoon komen een mooie Cubaanse (Jennifer Lopez) tegen en raken beide op haar verkikkerd. Om zijn schulden op te schonen schakelt Nicholson de Britse inbreker Michael Caine in. Genoeg aanleiding voor verwikkelingen.

De film houdt het midden tussen een thriller en een achtervolgingsdrama, maar mislukt in beide genres. Het blijft zouteloos en de enige spanning zit in de vechtscenes, maar daarvoor kan je beter naar een actiefilm toe. Het verhaal is rommelig en ongeloofwaardig. De psychologische mogelijkheden die het script biedt, zoals de conflicten tussen vader en zoon, hebzucht en liefde, komen niet uit de verf.

Jack Nicholson vertoont zijn bekende kunstjes weer. Als je hem de eerste keer ziet, op zijn rug, weet je wat voor een gezicht hij trekt, en die grimas blijft. Michael Caine is de enige die je nieuwsgierig maakt naar zijn personage. Zijn slonzigheid is fascinerend en verraadt diepte. Treurig dieptepunt is het spel van Lopez, die zich van pose naar pose beweegt, onderwijl scenes waarin zij vertelt over haar verleden als bootvluchteling, haast lachwekkend verpestend. Dorff en Davis zijn lang niet zo ergerlijk, maar daar blijft het ook bij. Judy Davis krijgt de kans niet (de vrouwenrollen zijn nog platter dan de mannenrollen), Stephen Dorff lijkt niet meer in huis te hebben.

De enscenering is ook al niet te boeiend. Vooral de waterscenes doen vermoeden dat het geld na de inhuur van Nicholson op was. De zee is al even onnatuurlijk als bij Fellini, maar die deed dat tenminste opzettelijk. Enig technisch lichtpuntje is het feit dat de film een originele score heeft, in plaats van de zo gebruikelijke ‘best of’ soundtrack.

Bij Blood and wine is duidelijk ingezet op een persoon, Jack Nicholson. Waar hij onbevredigend werk aflevert blijft er voor de rest weinig over. Want een niet spannende thriller, met welke namen dan ook, daar zit niemand op te wachten.

  • Cijfer (0-10): 4

Februari 1997