Filmrecensie: De appel (Sib)

  • Iran/Frankrijk, 1997
  • Regie: Samira Makhmalbaf
  • Met: Massoumeh Naderi en Zahra Ali-Naderi
  • Scenario: Mohsen Makhmalbaf, Samira Makhmalbaf
  • Camera: Ebrahim Ghafouri
  • Montage: Mohsen Makhmalbaf
  • kleur, 86 minuten
  • Gezien: 12 maart 1999, ‘t Hoogt, Utrecht

Éen scene kan een film de moeite waard maken. In De appel (Sib) zien we vier meisjes die, liggend op een hoop stenen, een appel eten. De schoonheid zit in de simpelheid, maar ook in wat voorafging. Twee meisjes zijn voor het eerst buiten, nadat ze elf jaar lang door hun vader in huis gehouden zijn. Zij worden gespeeld door de tweeling die het daadwerkelijk overkomen is en de geestelijke en lichamelijke gevolgen zijn overduidelijk. Maar door hun voortdurende isolatie lijken de zusjes zich niet van hun achterstand bewust, waardoor sentimentaliteit achterwege blijft.

De appel is de eerste lange film van Samira Makhmalbaf, de 17-jarige dochter van de Iraanse regisseur Mohsen Makhmalbaf (Gabbeh). Vader is verantwoordelijk voor het scenario en de montage, maar de verschillen met zijn films zijn groot genoeg om te zien dat zijn dochter haar eigen film heeft gemaakt.

Samira kwam op het spoor van het verhaal door een tv-documentaire en vroeg de hoofdpersonen aan haar film mee te werken. Zij reconstrueerde de ‘bevrijding’ van de meisjes, maar haar film is geen pseudo-documentaire. Daarvoor heeft ze te veel poetische elementen toegevoegd en juist dit geeft de bijzondere sfeer aan de film. Bovendien weet zij de gebeurtenissen boven het anekdotische te tillen. De appel gaat niet alleen over de meisjes, maar ook over de positie van vrouwen in Iran. Bijna alle vrouwen in de film zitten, vrijwillig of niet, al net zo achter tralies, op een hulpverleenster na. Zij probeert de vader, een eenvoudige man met traditionele islamitische ideeen, te overtuigen van het belang van een goede opleiding voor vrouwen.

Hier en daar kent De appel wat onvolkomenheden. Het begin is rommelig, alsof de regisseuse nog niet weet welke kant de film uit moet gaan. Maar als ze de toon eenmaal te pakken ontstaat een film die tegelijkertijd tot nadenken aanzet en je verleidt weg te zinken in prachtige serene beelden. Vooral haar twee hoofdrolspeelsters weet ze met een diepe menselijkheid in beeld te brengen. Zeventien jaar en zo’n film maken; dat belooft wat voor de toekomst.


  • Cijfer (0-10): 8

Filmrecensie: Het veertiende kippetje

  • Nederland, 1998
  • Regie: Hany Abu-Assad
  • Met: Antonie Kamerling, Thekla Reuten, Dirk Zeelenberg, Peter Paul Muller, Kasper van Kooten, Michaël Pas, Alice Reys, Peer Mascini, Cecile Heuer, Elsje de Wijn, Victor Löw
  • Scenario: Arnon Grunberg
  • Camera: Mies Rogmans
  • Geluid: Eddy de Cloe
  • Montage: Rinze Schuurman
  • Art directie: Erly Brugmans, Anne Winterink
  • Muziek: Fons Merkies
  • kleur, Dolby Stereo
  • Gezien: 1 oktober 1998, Camera, Utrecht.

Wie een film over wachten maakt stelt zich voor een lastige opdracht. Het gebrek aan actie maakt een sterke psychologische uitwerking haast noodzakelijk om de verveling niet toe te laten slaan. Helaas is dat regisseur Hany Abu-Assad en scenarioschrijver Arnon Grunberg in Het 14e kippetje niet gelukt, als het al ooit de bedoeling is geweest.

De film draait om het huwelijksdiner van Daniel (Antonie Kamerling) en Francesca (Thekla Reuten). Terwijl de gasten – een aantal jeugdvrienden en de ouders – de tijd doden, is het paar op zoek naar het restaurant waarvan ze het adres vergeten zijn. De drank maakt de gasten loslippig, de kou het stel rancuneus. Door flashbacks wordt duidelijk waarom de verhoudingen zo moeizaam zijn.

Bij vlagen is Het 14e kippetje vermakelijk, daar staan de dialogen van Grunberg garant voor. Maar veel verder dan grappige zinnen wil de film niet komen. Iedere samenhang ontbreekt, omdat de personages niet tot leven komen. Tempo in montage en tekst is ver te zoeken.

De moeder van de bruid probeert de sfeer te verhogen met de woorden: “We zijn eens vlak bij Monte Carlo geweest.” Een beter motto kan de film niet hebben. Hier en daar wordt iets spannends of interessants aangestipt, maar tot de kern komt het zelden. Pas aan het eind wil er wat gebeuren, maar het is zo doorzichtig, dat het de moeite niet loont op het puntje van je stoel te gaan zitten.

Ook het spel boeit niet. De meeste rollen zijn zo vlak dat er weinig mee te beginnen valt. Alleen Thekla Reuten en Anthonie Kamerling hebben nog enig materiaal om uit te werken. Zij weet nog iets van haar rol te maken, maar Kamerling is wat hij zo vaak is: het lek van de film. Iedere spanning die opgebouwd wordt loopt weg als hij in beeld komt. Dat hij iemand met weinig initiatief moet spelen is daarvoor te weinig excuus.

Hans Beerekamp schreef in NRC Handelsblad, dat de waardering voor de film omgekeerd evenredig is aan de leeftijd van de kijkers. Zelfs daar kun je aan twijfelen, omdat Het 14e kippetje nergens zo op stoom wil komen als bijvoorbeeld Siberia van Robert Jan Westdijk. En de teksten van Grunberg kun je maar beter lezen, dan kun je er zijn opvallende stem zelf bij denken.

  • Cijfer (0-10): 4*

Filmrecensie: The big Lebowski

  • Verenigde Staten, 1998
  • Regie: Joel Coen
  • Met: Jeff Bridges, John Goodman, Julianne Moore, Steve Buscemi, John Turturro
  • Scenario: Ethan Coen en Joel Coen
  • Camera: Roger Deakins
  • Geluid: Skip Lievsay
  • Montage: Ethan Coen en Joel Coen (als Roderick Jaynes) en Tricia Cooke
  • Art directie: Rick Heinrichs
  • Muziek: Carter Burwell
  • Technicolor, DTS/Dolby Digital/SDDS, 117 minuten
  • Gezien: 5 mei 1998, Sneak Preview, Camera Utrecht

Iedere film van de Coen-broers (Raising Arizona, Fargo) verschilt sterk van de voorafgaande. Toch is er een element dat ze verbindt: de groteske humor. Bij The big Lebowski is de humor de kern: het verhaal lijkt bijzaak, eigenlijk is het een grote McGuffin.

Zoals gewoonlijk zijn de dialogen prachtig. Maar er is deze keer ook een flinke dosis slapstick aanwezig. Het opmerkelijke is, dat een behoorlijk aantal grappen niet bijster origineel zijn, terwijl je ze toch niet ziet aankomen. Ze worden zo goed in beeld gebracht en getimed, dat ze weer oorspronkelijk worden. De humor van de Coens is altijd wat afstandelijk. Dit is niet aan iedereen besteed. Maar voor wie er van houdt is hij onovertroffen

De film gaat over de aan lager wal geraakte Lebowski (Jeff Bridges), bijgenaamd The Dude, die op een dag bezoek krijgt van een aantal ongure types. Ze zeggen dat zijn vriendin hun baas geld schuldig is, terwijl de Dude geen vriendin heeft, en pissen op zijn kleed. De Dude ontdekt dat hij een rijke naamgenoot heeft, die het doelwit was. Als hij bij hem verhaal gaat halen begint de ellende, zeker als zijn bowlingmaatje Walter (John Goodman) zich ermee gaat bemoeien.

De broers hebben ook een gelukkige hand in het uitzoeken van de acteurs. Ze kiezen meer voor karakter dan voor uitstraling. Jeff Bridges is de meester de sulligheid en John Goodman doet weinig voor hem onder. John Turturro komt maar in twee scenes opdagen, maar laat een onuitwisbare indruk achter als een hele foute bowlingspeler.

En dan is er natuurlijk de vormgeving. Ook al zo’n punt waar de broertjes in uitblinken. In The big Lebowski hebben ze de slonzigheid van het dagelijks leven geplaatst tegenover de rijkheid van dromen. Die dromen geven de gelegenheid om een uitstapje te maken naar andere filmgenres en dat levert heerlijke scenes op. En een bowlingbaan ziet er voorgoed anders uit, al is het maar omdat je hem vanuit een bowlingbal bekeken hebt.

Op het eerste gezicht is The big Lebowski niet zo’n gelaagd meesterwerk als bijvoorbeeld Fargo. Maar het kijken blijft een feest door de dialogen, het spel en de vormgeving. Het was lang geleden dat ik zo hard gelachen heb bij een film en ik geloof niet dat ik de enige was in de zaal.

  • Cijfer (0-10): 9

Filmrecensie: Boogie nights

  • Verenigde Staten, 1997
  • Regie: Paul Thomas Anderson
  • Met: Mark Wahlberg, Burt Reynolds, Julianne Moore, John C. Reilly
  • Scenario: Paul Thomas Anderson
  • Camera: Robert Elswit
  • Geluid: Stephen Halbert
  • Montage: Dylan Tichenor
  • Art directie: Bob Ziembicki
  • Muziek: Michael Penn
  • Color DeLuxe, Dolby stereo/SDSS, 155 minuten
  • Gezien: 17 februari 1998, Sneak Preview, Camera, Utrecht

Dat Paul Thomas Anderson een talent heeft voor sfeervolle scenes, waarin de inhoud er niet te dik opgelegd wordt, is gebleken uit Hard eight. Ook zijn tweede film, Boogie nights is er getuige van. Maar het vertellen van een strak en coherent verhaal gaat hem minder goed af. Met tweeenhalf uur is de film veel te lang. Een ervaren scriptschrijver had misschien wonderen kunnen doen.

Boogie nights beschrijft de hoogtijdagen en neergang van de pornofilmindustrie in de jaren zeventig en tachtig. De pornoregisseur Jack Horner (Burt Reynolds) ontdekt de zeventienjarige Eddie (Mark Wahlberg), die geschapen lijkt om een ster te zijn. Eddie komt in het gezelschap terecht dat nog het meest op een grote familie lijkt. De vrouw van Jack Horner, en vrouwelijke ster van zijn films, Amber Waves (Julianne Moore), bemoedert iedereen, omdat zij haar echte kind niet te zien krijgt. Rollergirl (Heather Graham) is tot alles bereid, als ze haar skates maar aan mag houden. Reed Rothchild (John C. Reilly) wordt de broer die Eddie in het echte leven zo ontbeert. Maar naarmate het succes groter wordt, ontsporen de onderlinge verhoudingen.

Wie een seksueel opwindende film verwacht zal teleurgesteld zijn. Boogie nights is explicieter maar gelijk ook gevoeliger dan de andere film over de pornoindustrie van het afgelopen jaar, The people vs. Larry Flynt. Paul Thomas Anderson is niet uit op sensatie, maar probeert de mensen te doorgronden.

Anderson lijkt sterk beïnvloed te zijn door Robert Altman. Het eerste shot, waarin de camera een discotheek ingaat en er tijden ronddraait totdat er een schnitt volgt is een homage aan The player. Ook de veelheid van levensverhalen doet denken aan de oude meester. Maar Anderson mist de controle van Altman. De verweving van de verschillende levensverhalen doet rommelig aan. Door de voortdurende sprongen komt geen enkel karakter echt goed uit de verf.

Maar sommige scenes doen het rommelige karakter van de film vergeten. Zo is er het moment dat Amber en Eddie voor het eerst samen gaan acteren. De tederheid waarmee ze van te voren de seksscenes doornemen is van een verwarrende pracht. Staan hier nu twee acteurs, twee geliefden of moeder en zoon tegenover elkaar? De film zit vol met dit soort verrassende rolwisselingen. Stoere mannen die pruilen als kleine kinderen, lieve meisjes die doorslaan. Voortdurend word je op het verkeerde been gezet.

Julianne Moore is de onbetwiste ster van de film. Zij weet in een blik zoveel lagen te leggen, dat het door merg en been gaat. Om van een pornoactrice zo’n liefdevol wezen te maken is grote klasse nodig. Maar ook de rest van de cast liegt er niet om. Burt Reynolds weet met kleine middelen een groot charisma uit te stralen en Mark Wahlberg lijkt moeiteloos de grote omslagen in zijn karakter neer te zetten.

Als extraatje heeft de film nog een prachtige soundtrack die het jaren zeventiggevoel direct oproepen. De songs zijn zo met de film verweven dat ze er een onlosmakelijk onderdeel van uit zijn gaan maken.

Boogie nights is een ‘brilliant mistake’. De film is te lang en te rommelig om een succes te zijn. Maar sommige onderdelen zijn zo mooi, dat ik vol verwachting uitkijk naar de volgende film van Paul Thomas Anderson.

  • Cijfer (0-10): 7

Filmrecensie: The boxer

  • Ierland, 1997
  • Regie: Jim Sheridan
  • Met: Daniel Day-Lewis, Emily Watson
  • Scenario: Jim Sheridan & Terry George
  • Camera: Chris Menges
  • Montage: Gerry Hambling
  • Art directie: Brian Morris
  • kleur, DTS, 113 minuten
  • Gezien: 10 februari 1998, Sneak Preview, Camera Utrecht

De samenwerking tussen regisseur Jim Sheridan en acteur Daniel Day-Lewis is een vruchtbare. Met My left foot en In the name of the father hebben ze aardig wat prijzen binnengehaald. Of dat met The boxer gaat lukken is maar zeer de vraag.

De bokser Danny Flynn (Daniel Day-Lewis) heeft veertien jaar in de gevangenis gezeten wegens terroristische activiteiten voor de IRA. Als hij vrijkomt, wil hij niets meer met het sectarische geweld te maken hebben. Hij start een boksschool voor katholieken en protestanten om de kinderen van Belfast een uitweg te bieden. Maar de IRA, verdeeld over een mogelijke wapenstilstand, laat hem niet met rust. Dat hij achter zijn oude vriendin Maggie (Emily Watson) aanzit maakt het er niet gemakkelijker op. Want zij is inmiddels getrouwd met een IRA-lid, die nog in de gevangenis zit. Bovendien is ze de dochter van de plaatselijke IRA-leider.

Het verhaal van The boxer kent een aantal aardige gegevens (de strijd om vrede in een terreurorganisatie, de keuze van de vader tussen de organisatie en zijn dochter, de spanning tussen oude geliefden), maar ze worden niet sterk uitgewerkt. De personages blijven zwart-wit en hun drijfveren worden maar oppervlakkig aangeduid. Zo is er de zoon van Maggie die zich aanvankelijk verzet tegen haar contact met Danny. Hij ziet het als verraad van zijn vader. Ineens geeft hij zijn verzet op, zonder dat het duidelijk wordt waarom.

De show in The boxer wordt gestolen door Emily Watson. Haar rol is ingetogener dan in Breaking the waves, maar met een simpele blik kan ze boekdelen spreken. Daniel Day-Lewis moet een man spelen die de chaos om hem heen onbewogen aankijkt. Het gaat hem niet geweldig af, hij lijkt meer gebaat bij rollen die iets meer onderhuidse spanning kennen. De bijrollen zijn, zoals in zoveel Britse en Ierse films, uitstekend bezet.

De montage is zo slordig, dat het stoort. Tweegesprekken lopen niet, en de bokspartijen zijn zo rommelig, dat het niet duidelijk wordt wie wie slaat. Nog ergerlijker is het muziekgebruik. Zo wordt een straatoproer begeleid met een romantisch deuntje. Het druist in tegen de boodschap van The boxer: dat Belfast te gronde gaat aan het geweld.

Na My left foot en In the name of the father is The boxer een tegenvaller. Het spel zorgt er nog voor dat de film het aanzien waard is, maar het kan niet verhullen dat hij in verhaal en techniek de nodige scherpte mist.

  • Cijfer (0-10): 6

Filmrecensie: À toute vitesse

  • Frankrijk, 1996
  • Regie: Gael Morel
  • Met: Pascal Cervo, Stephane Rideau, Elodie Bouchez, Mezziane Bardadi
  • Scenario: Catherine Corsini, Gael Morel
  • Camera: Jeanne Lapoirie
  • Montage: Catherine Schwartz
  • kleur, 105 minuten
  • Gezien: 10 augustus 1997, ‘t Hoogt, Utrecht

Wie geroerd was door Techine’s Les roseaux sauvages zal nieuwsgierig zijn naar À toute vitesse. De hoofdrolspeler uit Les roseaux, Gael Morel regisseert twee medespelers, Élodie Bouchez en Stephane Rideau. Helaas is het maar al te duidelijk dat À toute vitesse een regiedebuut is.

Morel lijkt zijn hand te overspelen door een aantal verhalen over jongeren in een Zuid-Franse stad tegelijk te vertellen. De arbeiderszoon Quentin (Pascal Cervo) is net doorgebroken met zijn eerste boek. Het literaire circus doen hem steeds meer vervreemden van zijn vriendin Julie (Élodie Bouchez) en zijn jeugdvriend Jimmy (Stephane Rideau). Deze twee voelen meer voor het racen op motoren dan artistiek gekeuvel. Intussen zoekt Quentin contact met de Arabische Samir, die net zijn vriend heeft verloren. Quentin wil Samir tot het onderwerp van zijn nieuwe boek maken en maakt misbruik van de liefde die Samir voor hem voelt.

À toute vitesse wisselt voortdurend van perspectief. Aanvankelijk is Quentin het middelpunt, maar dan verdwijnt hij voor lange tijd uit beeld en komt de aandacht bij Julie en Jimmy te liggen. Dit vraagt meer beheersing van een regisseur dan waarover Morel nu beschikt. Hierdoor komen de personages amper tot leven. Ook de snelheidsliefde waar de titel over spreekt komt niet over, omdat snel gesneden scenes onderbroken worden met de uit veel Franse films bekende dialogen. Deze missen de levendigheid die regisseurs als Techine en Rohmer hun spelers in de mond leggen en worden bovendien zeer houterig uitgesproken.

Het acteerwerk in À toute vitesse is nogal mat. Alleen Élodie Bouchez weet daar bij tijd en wijle aan te ontkomen. Zij heeft dan ook een charme die acteerprestaties bijna onnodig maken. Dat Bouchez en Rideau bijna dezelfde rollen moeten spelen als in Les roseaux sauvages lijkt hen niet erg gestimuleerd te hebben.

Het verhaal van een van zijn omgeving vervreemde kunstenaar zou wel eens autobiografisch kunnen zijn. À toute vitesse was waarschijnlijk een stuk interessanter geweest als Morel zich daarop had geconcentreerd en de motieven en gevoelens van Quentin beter naar voren had gebracht. Misschien heeft hij het niet over zijn hart kunnen verkrijgen om Bouchez en Rideau bijrollen te geven.


  • Cijfer (0-10): 5

Filmrecensie: Addicted to love

  • Verenigde Staten, 1997
  • Regie: Griffin Dunne
  • Met: Meg Ryan, Matthew Broderick, Kelly Preston, Tcheky Karyo
  • Scenario: Robert Gordon
  • Camera: Andrew Dunn
  • Geluid: Ed Novick
  • Montage: Elizabeth Kling
  • Art directie: Robin Standefer
  • Muziek: Rachel Portman
  • kleur, 100 minuten
  • Gezien: 5 augustus 1997, Sneak Preview, Camera Utrecht

Het lijkt treurig gesteld met de Hollywoodkomedie. Wordt er een verhaal gesponnen om Meg Ryan, steelt de Turkse Fransman Tcheky Karyo de show. In zoverre er iets te stelen valt in de eerste lange film van regisseur Griffin Dunne (als acteur bekend door zijn hoofdrol in After hours).

In Addicted to love lijkt de astronoom Sam (Matthew Broderick) het goed getroffen te hebben met de lerares Linda (Kelly Preston). Er is een klein probleem: hij voelt zich helemaal thuis in hun geboortedorp, terwijl zij het gevoel heeft dat er meer te zien valt in de wereld. Als ze de kans krijgt om een tijdje les te geven in New York vertrekt ze dan ook, om Sam na een paar weken een afscheidsbrief te sturen. Hij laat het er niet bij zitten en reist haar achterna. Ze blijkt samen te wonen met de Franse restauranthouder Anton (Tcheky Karyo). Sam kraakt een krot aan de overkant van de straat om het stel met een camera obscura in de gaten te houden. En dan verschijnt Maggie (Meg Ryan), die net verlaten is door Anton. Ze is veel krachtdadiger dan Sam en haar enige doel is wraak.

Romantische komedies mogen een beetje ongeloofwaardig zijn, maar in Addicted to love worden de grenzen wel erg opgerekt. Om twaalf uur ‘s middags met een telescoop een supernova waarnemen en daarna het logge gevaarte op een grasveldje richten en de geliefde haarscherp in beeld krijgen? Je moet je verstand wel erg dicht bij nul zetten. Met een foto rondlopen in Manhattan en iemand tegenkomen die de gefotografeerde herkent? Wat een toeval! Toch wil ik nog wel meegaan in dit soort ongerijmdheden. Maar ik haak af als Meg Ryan een stoere, in leer verpakte, bitch moet zijn. En ik bevind me daarbij in goed gezelschap: Ryan lijkt er zelf ook niet in te geloven.

Nu is Meg Ryan toch al beter in gekke gezichten trekken dan in acteren. Emotiewisselingen krijgen we niet van haar te zien. Dunne toont alleen maar momentopnamen van haar gezicht, die pas betekenis krijgen in de montage. Nu moet gezegd worden dat ze aan haar tegenspeler Matthew Broderick ook niet veel stimulans heeft. Hij heeft een gezicht en een expressie die je meteen vergeet als hij uit beeld is verdwenen. Dat Maggie ook maar iets in Sam zou zien wordt daardoor zeer ongeloofwaardig.

Gelukkig wordt naarmate de film vordert, de rol van Anton belangrijk. Karyo weet hem komisch neer te zetten zonder de inhoud te vergeten. Alle vooroordelen over Fransen –dat ze impulsief en gepassioneerd zouden zijn– worden bevestigd. Daarvoor hoeft Karyo niet zoveel te doen. Het contrast met een aantal halfdode Amerikanen is voldoende.

Zelfs de vormgeving dreigt zo nu en dan Ryan en Broderick te overschaduwen. De camera obscura, het witkalken van de muur waarbij het geprojecteerde beeld veeg voor veeg duidelijk wordt, de collage die Maggie stukje bij beetje aanbrengt op de muur, het ziet er mooi uit. Je zou bijna zeggen dat het jammer is dat de acteurs er telkens voorstaan.

Langzaam kruipt de film naar een zeer voorspelbaar einde. Het is misschien wel het grootste genoegen. Niet omdat ze elkaar vinden (want het wordt toch niets met die twee), maar omdat het tijd is voor de titels.


  • Cijfer (0-10): 4

Filmrecensie: Batman & Robin

  • Verenigde Staten, 1997
  • Regie: Joel Schumacher
  • Met: Arnold Schwarzenegger, George Clooney, Chris O’Donnel, Uma Thurman, Alicia Silverstone, Michael Gough
  • Scenario: Akiva Goldsman, Christopher McQuarrie
  • Camera: Stephen Goldblatt
  • Geluid: Petur Hliddal
  • Montage: Dennis Virkler
  • Art directie: Barbara Ling
  • Muziek: Elliot Goldenthal
  • kleur, 130 minuten
  • Gezien: 15 juli 1997, Sneak Preview, Camera Utrecht

Of ik een film nu prachtig of vreselijk vind, hoogst zelden heb ik het gevoel dat ik in de bioscoop mijn tijd zit te verdoen. Maar bij Batman & Robin, de vierde uit de Batman-reeks, overviel me het verlangen naar huis. Waar kwam dit vandaan?

Batman & Robin is een product van absolute ongeinteresseerdheid. Of het nu de regie, het script, het spel of de decors zijn, het is allemaal een rommeltje. De makers weten dat ze aan een film bezig zijn die zichzelf wel verkoopt en dus hun zakken zal vullen. Buiten deze financiële overwegingen lijkt er geen enkele reden te zijn waarom deze film gemaakt moest worden. Waarom zou ik er dan naar moeten kijken?

Deel drie uit de reeks, Batman forever, ook geregisseerd door Joel Schumacher, was al geen hoogtepunt. Maar er viel nog voldoende te genieten, bijvoorbeeld van de vileine Tommy Lee Jones en de doorgedraaide James Carrey. In superheldenfilms zijn het juist de schurken die de sjeu moeten brengen. In Batman & Robin krijgen we te maken met Arnold Schwarzennegger. Hij speelt de gedeprimeerde wetenschapper Mr. Freeze die zijn doodzieke vrouw heeft ingevroren om op zoek te gaan naar een geneeswijze. Helaas is hij uitgegleden bij het bassin vloeibare stikstof, waardoor hij alleen maar in leven kan blijven bij temperaturen onder het vriespunt. Omdat hij geen ondersteuning krijgt bij zijn medische onderzoeken besluit hij heel Gotham City te bevriezen. Je ziet het aan en denkt “Ach jochie toch.” Niet echt een reactie die een schurk dient op te roepen.

Kompaan in het kwaad is Poison Ivy (Uma Thurman), strijdster voor de plantenwereld. Om die te laten overleven wil ze de dierenwereld, inclusief de mensheid, verdelgen. Ze weet alle mannen te betoveren met haar parfum, om ze dan om te brengen met haar giftige lippen. Er is een klein probleempje: Thurman heeft de erotische uitstraling van een dovenetel, en daardoor zijn al haar pogingen de rol met overtuiging neer te zetten bij voorbaat gedoemd te mislukken.

Zijn de schurken nogal slap, de helden krijgen al helemaal niet de gelegenheid iets van de film te maken. Batman (George Clooney) en Robin (Chris O’Donnell) zoeken de grenzen van hun wederzijds vertrouwen en moeten daarbij sentimentele teksten uitslaan die geen enkele acteur behoorlijk uit de mond zou krijgen. Als de butler Alfred (vaste kracht Michael Gough) ook nog stervend blijkt te zijn kunnen de tenen helemaal gekromd worden. Enig lichtpunt is de verschijning van het nichtje van Alfred (Alicia Silverstone). Zij brengt de energie die de andere rollen zo missen. Maar waarom hier een Britse rol met een vet Amerikaans accent gespeeld wordt blijft een raadsel.

Maar vooruit, Batman-films draaien niet om script of spel, maar vormgeving en actie. Helaas, Gotham heeft zijn intrigerende, duistere naargeestigheid verloren. Het is niet meer de hoofdstad van camp, maar van kitsch. Wie deze kleurenbagger bij elkaar verzonnen heeft mag wat mij betreft terug naar de houtskoolklas. En dan te bedenken dat regisseur Schumacher ooit als vormgever begonnen is.

Met de actiescenes is het al even droevig gesteld. Door gebrek aan opbouw en rommelige choreografie en montage zijn ze al even morsig geworden als de rest van de film. Een fietstochtje door de stad zorgt voor meer adrenaline.

Toen ik na de film weer buiten stond realiseerde ik dat ik me in ruim twee uur welgeteld tien seconden geamuseerd had. Het wordt tijd om Batman en Robin te laten spelen met hun batmobiles op te sluiten met hun Battoys en iets nieuws te bedenken.

  • Cijfer (0-10): 2

Filmrecensie: Bean

  • Verenigd Koninkrijk, 1997
  • Regie: Mel Smith
  • Met: Rowan Atkinson, Peter MacNicol, Burt Reynolds
  • Scenario: Richard Curtis, Robin Driscoll, Rowan Atkinson
  • Camera: Francis Kenny
  • Geluid: Robert Anderson
  • Montage: Chris Blunden
  • Art directie: Peter Larkin
  • kleur, 90 minuten
  • Gezien: 1 juli 1997, Sneak Preview, Camera Utrecht

De eerste keer dat ik Rowan Atkinson Mr. Bean zag spelen viel ik daadwerkelijk van de bank van het lachen. De volgende keren kon me beter in bedwang houden, maar de elastische koppen van Atkinson, het vileine en het onhandige van Bean, de bekrompen Engelse wereld: het bleef heerlijk om naar te kijken. Ik juichte dus toch een beetje mee toen Bean: the ultimate disaster movie in de Sneak Preview gedraaid werd.

Maar helaas. Bean is bedoeld om de Amerikaans markt te veroveren, niet om de fans een plezier te doen. Een aantal grappen is regelrecht uit de tv-afleveringen gehaald. Deze dienen om een verhaaltje aan te kleden, dat afzichtelijk dun is. Een Amerikaanse galerie vraagt aan de Londense National Galery om een belangrijk kunsthistoricus te sturen voor een reeks voordrachten. Ze vaardigen echter de meest vreselijke zaalwacht af: Bean. Deze weet bijna de carriere en het huwelijk van zijn gastheer (Peter MacNicol) te gronde te richten.

Natuurlijk valt er te lachen bij Bean. Maar door het gekunstelde verhaal is de film lang niet zo leuk als de tv-afleveringen. Je zult me niet snel horen zeggen dat je beter het kleine scherm kunt bekijken dan het bioscoopdoek. Nu wel helaas.

Een van de problemen van Bean is, dat het karakter van Mr. Bean zo aangetast is, dat het een stuk minder leuk geworden is. In een sketch van een kwartier kan Bean uitstekend een van de wereld afgesloten, zwijgend en onhandig type zijn. Maar tenzij je een remake van Rain man wil maken, is dat voor een avondvullende film niet vol te houden. Dus Bean moet praten en een persoonlijkheid hebben, en dat is nou net niet z’n sterkste kant (in tegenstelling tot Blackadder). Daarnaast komt de mimiek van Atkinson veel beter tot z’n recht op het tv-scherm, dat geknipt is voor close ups.

Voor Bean-fans (en wie is dat niet) zal de film Bean waarschijnlijk tegenvallen, terwijl het maar de vraag is of de Amerikaanse markt Jim Carrey wil inruilen voor de meer ingetogen Atkinson. Maar dat de film een artistieke mislukking is zal wel niet inhouden dat het ook een financiele misser wordt.

  • Cijfer (0-10): 6

Filmrecensie: All stars

  • Nederland, 1997
  • kleur
  • Met: Antonie Kamerling, Danny de Munk, Daniel Boissevain, Thomas Acda, Isa Hoes, Daphne Deckers, Ellen ten Damme, Hans Dagelet en Frits Lambrechts
  • Regie: Jean van de Velde
  • Scenario: Micha Alexander en Jean van de Velde
  • Gezien: 22 april 1997, Sneak Preview, Camera, Utrecht

All stars is vol van sterren, bekend van radio en tv. Dat het sterdom weinig te maken heeft met speltalent maakt de film schrijnend duidelijk. Bovendien is het verhaal een ongelukkige menging van leut en zware onderwerpen. Regisseur Jean van de Velde (De kleine blonde dood) was aanvankelijk aangezocht als ‘scriptdoctor’ en hij had zich beter wat meer op die taak kunnen richten.

All stars draait om zeven vrienden die als jochies in hetzelfde voetbalelftal terecht kwamen en vijftien jaar later nog steeds samen spelen, ondanks het karige succes. Binnenkort spelen ze hun vijfhonderdste wedstrijd, en Bram (Danny de Munk) wil er iets moois van maken. Maar zijn teamgenoten hebben het eigenlijk te druk. De ene moet wennen aan de zwangerschap van zijn vriendin, de andere probeert zijn rijke vader te ontlopen, de volgende neemt juist zijn invalide vader in huis. Wat betekent het team eigenlijk nog voor hen?

Voor wie elke zondag op het veld staat zit de film vol met bekende humor. En als je er tegen kan dat Feijenoord voor schut gezet wordt, dan ben je verzekerd van een aantal lachsalvo’s. Had Jean van de Velde zich daartoe beperkt, dan was er weinig met de film mis geweest.

Maar Van de Velde wil een aantal serieuze onderwerpen aansnijden: homoseksualiteit, vader-zoon verhoudingen, de moeizame verhoudingen tussen de jongens die niet willen opgroeien en hun vriendinnen. Daarvoor is het nodig dat zijn acteurs serieuze scenes spelen. En dan wreekt zich het aantrekken van populaire tv-sterretjes. Je krijgt bijna medelijden met Danny de Munk. Antonie Kamerling toont dat hij wat meer ervaring heeft, maar echt overtuigend is hij ook niet te noemen. Daphne Deckers kan niet meer dan betoverend uit haar blauwe ogen kijken. Het enige goede spel komt van twee oudgedienden: Hans Dagelet en Frits Lambrechts. Als zij in beeld zijn lijkt het ineens of je naar een heel andere film zit te kijken.

All stars had een vermakelijke film over een vriendenclub kunnen zijn. Het is echter een jongenssoap geworden. Als ik een soap wil zien, dan zet ik de televisie wel aan.


  • Cijfer (0-10): 4