Het interview, meer dan een transcriptie

Je kent ze wel, die interviews die van de pagina afspatten. Alsof je bij het gesprek zit. Pure spreektaal, die klinkt in je hoofd, terwijl je de letters leest.

Het ziet er zo simpel uit, maar het is hondsmoeilijk. Lees maar eens de letterlijke transcriptie van een vraaggesprek. Verschrikkelijk. En dan hoeft het niet eens met een warhoofd als de president van de Verenigde Staten te betreffen.

Soms hebben persvoorlichters te maken met welbedoelende amateur-journalisten, die denken dat ze een interview levendig maken door stukken uit de transcriptie achter elkaar te plakken. Of ze menen daarmee recht te doen aan wat er gezegd is. Meestal leidt het tot een onleesbaar resultaat.

Je praat anders voor de radio dan bij een vraaggesprek voor een geschreven interview. Je richt je niet rechtstreeks tot de luisteraar, maar hebt een afspraak met de journalist: ik probeer duidelijk antwoord te geven, zodat jij een goed verhaal kunt schrijven. Daarbij hoor je me nadenken, twijfelen, terugkomen op eerdere vragen, toetsen of ik goed overkom. Het vraaggesprek is repetitie en uitvoering tegelijk.

Een knappe journalist die daar een goed lopend verhaal van maakt. Zoals een naturalistische film heel wat meer is dan simpel de camera aanzetten.

’t Es nog al nie naar de wuppe

2017 kan voor mij maar met één song afgesloten worden: Naar de wuppe van de Belgische band Het zesde metaal.

(Hier live met rapper Brihang).

Twee weken geleden had ik nog niet van Het zesde metaal gehoord. Toen wees Maartje Luif via Twitter erop dat op de VRT-radio de Belpop 100 werd uitgezonden. Een lijst vol van herkenning en verrassing. Nummer 1 was het nummer Ploegsteert (2012). Een mooi melancholisch werk over het tragische leven van wielervedette Frank Vandenbroucke.

Het smaakte naar meer. Zo kwam ik bij hun laatste plaat, Calais uit 2016. Met het energieke, Naar de wuppe. Nu zingt Wannes Capelle, die ook nog een tijd in Roosbeef speelde, in plat Westvlaams, dus waar het over ging, daar had ik maar een half idee van.

Tijd voor een tweede ontdekking: het Vlaams Woordenboek. (Internet zoals internet bedoeld is: samen kennis vermeerderen). Dat leerde dat ‘naar de wuppe’, ‘naar de kloten’ betekent.

Het telkens terugkerende ‘’t es al niet naar de wuppe’ betekent dus: ‘het is nog steeds niet naar de kloten’. Een beetje als het Poolse volkslied: En nog is Polen niet verloren.

Is er een mooiere afsluiting van 2017? Het jaar om van de ene verbijstering in de andere te rollen. Een nieuwe wereldorde van domheid. Van cultuuroorlogen, omdat we zijn vergeten hoe echte oorlog voelt. Een jaar om te piekeren. Maar toch ook telkens het mooie, het verrassende.

Laat 2018 het jaar worden waar we buiten onze bubbel treden. Want daar zijn de mooiste ontdekkingen te doen.

Een half jaar boeken van vrouwen

Sinds een half jaar lees ik alleen boeken geschreven door vrouwen. Daarmee ben ik halverwege mijn voornemen om dit een jaar door te zetten. Tijd voor een tussenstand.

Het was een voornemen dat vragen opriep. Wat wilde ik ermee bereiken? werd me gevraagd. Dat was nu net de crux: ik was nieuwsgierig naar wat effect op me zou zijn. Ik had geen vooropgezet doel.

Een drietal constateringen:.

Allereerst een voor de hand liggende: ik heb andere boeken gelezen, dan ik anders gedaan zou hebben gedaan. Voorheen was maar een kwart van de boeken die ik las geschreven door een vrouw. Ik wordt nu uitgedaagd buiten de paden te treden die ik normaliter voor me gebaand weet. Ik bestudeer met meer aandacht recensies, kies met meer zorg het volgende boek uit.

De tweede constatering is dat mijn leesplezier niet veranderd is. Niet in negatieve, maar ook niet in positieve zin. Ik las prachtige, maar ook tegenvallende boeken. Net als altijd.

Vanzelfsprekend dringt zich de vraag op of er een rode draad zit in de gelezen boeken. Op het eerste gezicht niet, net zoals er geen rode draad in de verzameling boeken van mannen zit. Maar er gebeurde wel bijzondere dingen bij het lezen.

Zo las ik na elkaar Zulajka opent haar ogen van Guzel Jachina en The natural way of things van Charlotte Woods. Het eerste boek beschrijft hoe een vrouw tijdens de vervolging van de Koelakken door Stalin terecht komt in een kamp aan een Siberische rivier. Het tweede boek is een vertelling van jonge vrouwen die na verschillende sekschandalen vastgehouden worden in de woestijn.

Het Tartaarse en het Australische boek verschillen in veel opzichten van elkaar. Het eerste is gebaseerd op feitelijke gebeurtenissen (overgeleverd door de grootmoeder van de auteur), het andere is fictie. In het ene blijven de gedachten van de hoofdfiguur vaag, het andere boek geeft veel meer inzicht in de gedachtenwereld van twee protagonisten.

Maar er zijn ook overeenkomsten. Hoe de mannelijke bewakers hun eigen gruwelijke weg volgen als de bevelhebbers niet meer van zich laten horen. Wat het effect is van onzekerheid. Hoe de vrouwen proberen het heft in eigen hand te nemen door zich toe te leggen op de jacht. Zo werden de boeken elkaars pedant; ze verrijkten elkaar. The natural way of things leek de psychologische invulling te zijn bij het historische verhaal van Zulajka opent haar ogen.

Dat brengt me bij een derde constatering (een voorzichtige, want vijftien boeken zijn er eigenlijk te weinig voor): de boeken van vrouwen lijken vaker te gaan over hoe hun personages zich te weer moeten stellen tegen externe krachten. Mannen schrijven vaker over de autonome ambities van hun hoofdpersonen. Ik ben benieuwd of anderen deze indruk herkennen.

Zoals gezegd las ik afgelopen half jaar andere boeken dan voorheen. Dat leidde ook tot ontdekkingen. Zoals Outline van Rachel Cusk. Hierin blijft de hoofdpersoon, een Britse schrijfster die een zomercursus geeft in Athene, bijna onzichtbaar. We lezen alleen de weerslag van de gesprekken die ze voert, en dan met name wat anderen haar vertellen. Daarmee ontstaat een outline die de contouren van de hoofdpersoon laten zien. Het is een fascinerende vorm, die leidt tot een boek met prachtige beschouwingen.

Ineens zag ik wat het lezen van boeken van vrouwen met mij doet. Want boeken die je leest vormen ook een outline van de lezer. Zolang je alleen boeken leest van mensen die op je lijken (al is het maar in geslacht), blijft die outline vaag. Het is juist de tegenstelling die scherpe lijnen trekt.

Ik dacht door een tijdlang boeken van vrouwen te lezen hen meer te begrijpen. Maar misschien leer ik wel het meest van mezelf.


Dit las ik het afgelopen half jaar:

  • Lize Spit, Het smelt.
  • Marja Pruis, Zachte riten.
  • Anousha Nzume, Hallo witte mensen.
  • Hannah Arendt, Eichmann in Jeruzalem.
  • J.K. Rowling, Harry Potter en de vuurbeker.
  • Juli Zeh, Nullzeit.
  • Hanna Bervoets, Fuzzie.
  • Irmgard Keun, Das Mädchen, mit dem die Kinder nicht verkehren dürften.
  • Jami Attenberg, All grown up.
  • Guzel Jachina, Zulajka opent haar ogen.
  • Isabelle Jarry, J’ai nom sans bruit.
  • Charlotte Woods, The natural way of things.
  • Marijke Schermer, Noodweer.
  • Jane Gardam, Een onberispelijke man.
  • Rachel Cusk, Outline.

Hee gaode mee? 40 jaar liedjes van Gerard van Maasakkers

Het was de dag na Coming Out Day. De stad, in rouw om haar burgervader, had niet gevlagd. In De Kleine Komedie begon een zanger aan zijn jubileumtoernee: 40 jaar liedjes.

160 liedjes schreef Gerard van Maasakkers in die periode. Pareltjes. Voor velen verborgen gebleven, doordat ze in het Brabants geschreven zijn. Zo zonde.

Voor mij is Gerard van Maasakkers het toonbeeld van het échte levenslied. Niet de sentimentele, eendimmensionele variant, maar de fijngevoelige versie. Als ik naar hem luister lijkt het leven eenvoudig, met zijn geluk en verdriet. Eenvoudiger dat het werkelijk is, omdat Van Maasakkers zich beperkt tot de kern. Die paar mensen om je heen die er echt toe doen. Het samen leven. Soms wil je dat het leven niet meer is dan dat.

Het laatste (officiële) liedje van het concert was Hier heur ik thuis. Treffender kan het niet, ook als je niet uit Brabant komt. Want zijn teksten kennen een spanning tussen het zich vrijvechten aan de ene kant, en het wortelen aan de andere kant. Daarmee raakt hij een diep verlangen. Mag ik erbij horen, ook als ik anders ben?

Eichmann in Jeruzalem

Een blog schrijven over Hannah Arendts Eichmann in Jeruzalem is haast onbegonnen werk. Daarvoor is het boek uit 1963 te complex, en is er al te veel over gezegd. Daarom hier met name één gedachte die bleef hangen toen ik het boek dichtsloeg.

Arendt schreef het boek naar aanleiding van het proces tegen Adolf Eichmann, waar ze voor de New Yorker verslag van deed. Hij was het bureaucratische brein achter de jodenvernietiging in het Derde Rijk. De Israëlische geheime dienst wist hem na de oorlog op te sporen in Argentinië en ontvoerde hem naar Jeruzalem om hem terecht te laten staan.

Arendt beschrijft minitieus de opzet van de jodenvervolging, de regionale verschillen, de rol van Eichmann en het proces. Stap voor stap krijgt het concept vorm waarmee ze beroemd is geworden: de banaliteit van het kwaad. Ze beschrijft Eichmann niet zozeer als kwaadaardig, maar als gedachten- en gewetenloos. Hij rolde de vernietigingsindustrie in — het gaf hem kansen die hij eerder niet had gekregen — en zijn geweten hield hem niet tegen.

De conclusie van Arendt is van het begin af omstreden. Zo vinden critici dat ze naïef het beeld overneemt dat Eichmann van zichzelf schetste: dat van de grijze muis.

Een ander omstreden punt is de toon die Arendt gebruikt. Die is ambtelijk, gevoelloos. Waarschijnlijk met opzet, want ze moet niets hebben van sentimentele reacties op de verschrikkingen. Zo schrijft ze bijvoorbeeld:

Aan alle kanten, op alle terreinen van het dagelijks leven ziet de moderne Duitse jeugd zich geconfronteerd met mensen die in de nazi-tijd belangrijke functies hebben bekleed en echt wel het een en ander op hun kerfstok hebben, zonder zich daardoor evenwel schuldig te voelen. De normale reactie van de jeugd die de schuld van het verleden ernstig neemt zou verontwaardiging zijn. Maar aan verontwaardiging zouden wel eens risico’s verbonden kunnen zijn – niet zozeer voor leven en gezondheid van de betrokkene als wel voor zijn carrière. Zeer begrijpelijk, dit alles; maar wanneer deze jeugd van tijd tot tijd – wij denken aan het Anne Frank-gedoe, en ook ten tijd van het Eichmannproces waren de gemoederen weer heftig in beroering – in een hysterie van schuldgevoelens uitbreekt, dan is dat niet omdat zij zo diep onder de last van het verleden, onder de schuld der vaderen gebukt gaat, maar omdat zij zich door middel van een vlucht in gevoelens, door middel van sentimentaliteit dus, aan de druk van zeer actuele, zeer reële problemen probeert te onttrekken. (p. 394-395)

Maar het onderkoelde schrijven draagt een gevaar in zich mee: heeft ze misschien wel te weinig oog voor de emotionele kant van de daders? Dat was de vraag waar ik mee bleef zitten.

Volgens mij hoort bij elke revolutie (en dat was het nationaal-socialisme ook) het opwindende besef deel uit te maken van een keerpunt van de wereldgeschiedenis. Gekoppeld met de erotiek van de macht, leidt dat vaak tot een verslavende euforie (al dan niet ondersteund met chemische middelen). Zou dat niet ook gespeeld  hebben bij Eichmann? En baseert Arendt zich niet te veel op de erop volgende periode van ontnuchtering?

En toch is Eichmann in Jeruzalem een indrukwekkend tegendraads boek (zie alleen maar hoe hard ze is over de verschillende Joodse raden). En daarmee getuigt het van een houding waar het zo vaak aan ontbreekt.

Radio Days 4: Het Gebouw

Mijn studie geschiedenis bestond grotendeels uit zelfstudie. Zo was ik in de gelegenheid om iedere vrijdag van ’s ochtends vroeg tot half vijf ’s middags naar Het Gebouw (1984-1992) te luisteren. Het was een een opmerkelijke mengeling van radioreportages uit binnen- en buitenland, interviews, beschouwingen en komische onderdelen, zoals Dorrestijns Pers Agentschap (DPA) van Hans Dorrestijn. (Met veel nieuwsberichten over de KOD, de Kinder Opruimings Dienst.) Dit alles aan elkaar gepraat door de legendarische Cor Galis.

Het vond plaats in een virtueel gebouw (dat grote gelijkenis vertoonde met het echte gebouw waarin het werd opgenomen). Als er gasten kwamen, werden ze eerst met een gesprekje ontvangen bij de receptie (bemand door Harmke Pijpers en Diny Bangma), alvorens ze doorgeleid werden naar de kamer waar het gesprek plaats zou vinden. Je hoorde de gasten door de gangen lopen. Zo werd voortdurend de verbeelding van de luisteraar aangesproken.

In mijn jeugd ben ik paar keer naar een radio-opname geweest. Bijvoorbeeld om een brief voor te lezen die ik aan de Ko de Boswachtershow (met Burny Bos) had geschreven. Elke keer was het een ontgoocheling. De verbeelding viel in scherven.

De huidige radio bij de NPO doet zelden meer een beroep op de verbeelding, op de documentaires bij Radio Doc en een enkel hoorspel na. Sterker, je kunt meekijken met de webcam. De magie is verdwenen.


 

Dit is het vierde deel uit een reeks over de radio. Eerdere delen zijn:

De kinderen van juf Kiet

Zou er een 2Doc-documentaire zijn die meer reacties op de sociale media losmaakt dan De kinderen van juf Kiet vorige week deed? Veel kunnen het er niet zijn. Twitter en Facebook stonden bol van loftuigingen voor deze leraar die op een Brabantse basisschool lesgeeft aan een klas met nieuwkomers. Het verbaasde me.

Niet dat ik op basis van deze film echt een oordeel kan vormen over haar handelen. Daarvoor zien we te weinig. Hoe ziet de dag in elkaar, een les? Welke ondersteuning heeft ze (soms zien we andere volwassenen in de klas)? Heeft ze lesmateriaal tot haar beschikking dat toegesneden is op kinderen die het Nederlands niet van huis uit meegekregen hebben? Krijgen de kinderen begeleiding voor het verwerken van wat ze allemaal hebben meegemaakt?

Ik kan wel oordelen over de keuzes die de regisseurs Petra en Peter Lataster hebben gemaakt in hun montage. Ze tonen me situaties waarin een leraar de kinderen sterk stuurt, weinig ruimte geeft, amper met ze in gesprek gaat (zeker in het begin), ze vaak fysiek dwingt. En ik zie kinderen (in prachtige opnames waarin ze even alleen zijn) met meer afkeer en angst spreken over de juf, dan met warmte. Ik heb kortom de indruk dat de regisseurs me een ander verhaal hebben willen vertellen dan wat er getuige de reacties is overgekomen.

Het is de valkuil van films met en over kinderen. Hun geestkracht, hun aanpassingsvermogen betovert. Het straalt af op de volwassenen om hen heen. De grens tussen ‘dankzij’ of ‘ondanks’ vervaagt.

I am not your negro

Drie weken geleden beschreef ik mijn twijfels over Hallo witte mensen van Anousha Nzume. Nu ik de documentaire I am not your negro van Raoul Peck gezien heb, is me nog duidelijker geworden waardoor dat boek me niet aansprak.

Uitgangspunt van de film is het boek dat de zwarte Amerikaanse schrijver James Baldwin begon over zijn herinneringen aan drie vermoorde burgerrechtenstrijders: Medgar Evers, Malcolms X en Martin Luther King. Verder dan 30 pagina’s kwam het manuscript niet.

De Haïtiaanse regisseur Raoul Peck heeft dit verder uitgewerkt met archiefbeelden, interviews met James Baldwin en de teksten van Baldwin voorgelezen door Samuel Jackson.

De beelden en de montage zijn sterk, maar het meeste indruk maakten op mij toch de woorden van Baldwin. Net als bij Nzume spreekt hij over white privilege. Maar waar ik door haar amper bereikt wordt, spreekt Baldwin me wel aan. Wat is het verschil?

Nzume beschrijft in de kern wat je wel moet en niet mag zeggen en denken. Je moet je bewust zijn van je privilege. Je mag je geen cultureel eigendom van andere culturen toeëigenen. Het is de taal van de gouvernante.

Bij Baldwin geen opdrachten, geen gebedel. Hij spiegelt de witte mens voor wat het voor hemzelf betekent als hij zijn ogen sluit voor de wereld, voor de geschiedenis. De witte mens wordt er zelf slechter van, raakt bezoedeld. Hij zal dus uit eigenbelang de werkelijkheid onder ogen moeten zien, niet omdat het hoort of om iemand anders een plezier te doen.

We hoeven het niet te doen voor hem. De zwarte heeft al tijden geleerd om met de situatie om te gaan. Het is de witte mens die hulpeloos is.

Baldwin daagt me uit hierover na te denken. Daagt me uit te zien wat mijn positie als blanke man betekent in mijn bestaan en mijn omgeving. Als ik zijn verhaal overbreng van Amerika naar Nederland, daagt hij ons uit na te denken over wat de uitbuiting van Indië, de slavenhandel, het protectionisme ten opzichte van de derde wereld met zich meebrengt.

Baldwins boodschap is een onontkoombare mokerslag.

Radio Days 3: De Wilde Wereld

Achttien waren we in 1984, net begonnen aan een studie geschiedenis. Het was goed om in een groepje de colleges voor te bereiden, hoorden we. Dus kwamen we iedere woensdag met z’n drieën bij elkaar. Stond er in het boek “Ferdinand met Charles V, in tears,” dan bespraken we minstens een half uur lang wie van de broers moest huilen.

Al gauw verdwenen de historische disputen op de achtergrond. Want woensdag was ook de middag waarop de VPRO te horen was op Hilversum 3 (zoals 3FM toen heette). Het grootste deel van de middag werd in beslag genomen door De Wilde Wereld, gepresenteerd door Fons Dellen, Bram van Splunteren en Lotje IJzermans.

Na drie uur luisteren was je weer helemaal bij. Alle spannende nieuwe platen stonden op de playlist, samengesteld door de presentatoren, niet door de platenmaatschappijen. Belangrijke bands traden op in de studio. Alle stijlen kwamen aan bod. Van garagerock tot hiphop, van funk tot cowpunk, van high brow tot rechttoe-rechtaan,

En na ieder keihard nummer de jingle: “zo, nu eerst een bruistabletje.”

Het is het enige radioprogramma waar ik voor afsprak om er gezamenlijk naar te luisteren. En nog steeds draai ik nummers die Fons, Bram en Lotje ooit voor me uitkozen.

Radio Days 2: Just a Minute

27 maart 2011 was een memorabele dag: de BBC stopte met zijn uitzendingen in West-Europa op de middengolf. 648 kHz verstomde.

Ik luisterde al lang niet meer via de middengolf naar de BBC. Podcasts hadden het overgenomen. Toch vervulde het besluit met weemoed. Hoeveel tijd had ik niet bij de radio doorgebracht. Hoe vaak had ik niet “This is London” gehoord, gevolgd door de Lillibullero (een martiale mars uit de zeventiende eeuw) en de pips van Greenwich.

De zender waar ik meer Engels van had geleerd, dan van de ingeslapen leraar die ons in de vijfde en zesde klas was toegewezen. De zender die me kennis deed maken met de wereld, met klassieke journalistiek, met Engels theater. En met de spelshow Just a Minute.

Het uitgangspunt was simpel. Vier kandidaten krijgen om beurten een onderwerp aangedragen waarover ze één minuut moeten spreken. Maar wel “without hesitation, repetition, or deviation.” De spelers mogen elkaar onderbreken als ze een van de overtredingen vermoeden. Is de ingreep terecht, dan mogen ze de beurt afmaken. De kunst is om in te grijpen als er nog maar een paar seconden op de teller staat.

Het klinkt oubollig, maar goed uitgevoerd is het briljant. En nuttig zelfs. Zo heb ik geleerd hoe je zonder naar binnen te gaan kunt vaststellen of een restaurant goed is. Kijk door het raam en tel het aantal tafeltjes. Is het kleiner dan het aantal hoofdgerechten op de kaart, zoek dan maar verder. Het eten kan er niet vers zijn.

Het meest bijzondere is wel dat het programma nog steeds wordt uitgezonden. Al vijftig jaar lang, al vijftig jaar gepresenteerd door Nicholas Parsons, nu 93 jaar oud.

Als ik de show nu weer eens luister, dan wordt ik in gedachten getransporteerd naar de keuken in mijn ouderlijk huis, 35 jaar geleden. En ik ben nog steeds zo gefascineerd door de Britse woordkunst en geestigheid als toen.

“You’ve got 60 seconds, starting now.”