Harry is God

Op een mooie pinksterdag verschenen ineens de eerste vijf afleveringen van De Grote Harry Bannink Podcast van Gijs Groenteman.

Harry Bannink (1929-1999) was de componist van zo’n 3.000 liederen, bijvoorbeeld uit de tv-programma’s en musicals van Annie M.G. Schmidt, de Stratemakeropzeeshow, J.J. de Bom, Klokhuis en Sesamstraat. Denk aan ‘Vluchten kan niet meer’, ‘Het is over’, ‘Zeur niet’, ‘Frekie’, ‘De meisjes uit vervlogen dagen’ en het ‘Poep- en piesmenuet’.

Iedere aflevering van de podcast bestaat uit een gesprek van ongeveer een uur met iemand die veel met Bannink heeft samengewerkt: schrijver Hans Dorrestijn, zangeres Jenny Arean, drummer Chris Dekker, acteur/zanger Joost Prinsen en componist/arrangeur Henny Vrienten.

Het zijn prachtige, ontroerend weemoedige gesprekken. Want Bannink wordt gemist. En iedereen is het erover eens: Bannink was een onnavolgbaar genie. Dat blijkt extra uit de vele (bij mij althans) onbekende liedjes waar Gijs Groenteman en de geïnterviewden samen naar luisteren.

Toch zit het geheim van de podcast niet alleen in de grootheid van Harry Bannink. Hij is de onbereikbare (die vriendschap op een afstand hield), door allen aanbeden. En net zoals de Bijbel niet zozeer over God gaat, maar juist over de omgang van feilbare stervelingen met hem, zo gaat de podcast minstens zo zeer over de worstelingen van de kunstenaars rond Bannink. Over hun zwoegen, afgunst, melancholie, plezier. En daarmee geeft het een prachtig beeld van de gouden eeuw van het Nederlandse lied.

Ik wou maar zeggen: doodzonde als je niet luistert.

Via iTunes, Soundcloud, de website of zoek het op met je podcastapp.

Hallo witte mensen; gesprek of dogmatische aanval

Lex Bohlmeiijer interviewde voor de podcast van de Correspondent onlangs Anousha Nzume. De aanleiding was het boek dat uitkwam van de actrice met Kameroense-Russische wortels: Hallo witte mensen. Het was een aangenaam gesprek, dat me uitnodigde het boek te lezen.

Het boek handelt over actuele thema’s als wit privilege, zwarte piet en culturele toe-eigening. Zaken waar ik me de afgelopen jaren bewuster van geworden ben. Bijvoorbeeld door de zwartepietendiscussie en de ontwikkelingen rond Sylvana Simons. En dan met name door de heftigheid die discussies hierover oproepen.

Zo hoorde ik weldenkende mensen dingen over Sylvana Simons zeggen die ze naar mijn stellige overtuiging nooit over een blanke mannelijke politicus zouden zeggen. En bij de zwartepietendiscussie werd een beeld van een onwrikbare culturele traditie voor het voetlicht gebracht, waarvan overduidelijk is dat die nergens op gestoeld is.

Met een groot deel van het betoog van het boek, dat toegankelijk geschreven is, ben ik het dan ook eens. Zo doet het me nadenken of ik bij de scoutingclub van mijn zoon eens moet beginnen over een aantal liedjes dat er gezongen worden (eerlijk gezegd voel ik daar wel een drempel). Toch riep het boek ook ergernis in me op. Zo interessant als het gesprek met Bohlmeijer was, zo belerend is de toon van het boek. Niet in de laatste plaats, doordat Nzume de lezers telkens toespreekt met lieve witte mensen. En daarbij de lezer reacties toeschrijft, die hij, wit of niet, helemaal niet hoeft te hebben.

Ik mis hier het gesprek (hoe moeilijk dat ook is te suggereren in een boek), een wederzijdse onzekerheid. Nzume doceert, begrip voor andermans positie voorwendend. Mij krijgt ze er niet in mee. En dat is jammer. Want van deze discussie is veel te leren. Bij tijd en wijle is het boek een eye opener. Ik zou het prettig vinden als ik daardoor aan het denken gezet wordt, in plaats van dat me opgedragen wordt hoe ik dien te denken.

Waar ik echt moeite mee heb is het laatste hoofdstuk over culturele toe-eigening. Het vaardigt een verbod uit op het overnemen van culturele kenmerken uit gemarginaliseerde culturen. Nzume geeft sterke voorbeelden: Boeddha-beelden in yogalessen die niets met Boeddha te maken hebben. Het komt voort uit een hang naar het exotische waar ik weinig mee heb. Maar verbieden? Belachelijk maken lijkt me een betere weg.

Want uiteindelijk komt een groot deel van de culturele vooruitgang voort uit de uitwisseling tussen culturen, met welke oorspronkelijke beweegreden dan ook. Dat tegengaan is de dood in de pot. Het lijkt ook uit te gaan van het waanbeeld dat de gemarginaliseerde culturen altijd zo geweest zijn. Terwijl ook zij geworden zijn tot wat ze zijn in contact met andere culturen. En zich zullen blijven ontwikkelen.

Wit privilege is een krachtig begrip, dat te denken kan geven. Het is belangrijk dat daar meer bewustzijn over ontstaat. De dogmatische aanval lijkt me daarvoor niet de geschikte methode.

Zo wordt strijken leuk

Het is het ideale breukvlak tussen de afgelopen en de komende werkweek: het strijken van de overhemden. Afsluiting en nieuw begin. Niet om aan een ander over te laten.

Sinds een paar weken combineer ik het met een ander soort weekafsluiting: ik luister naar de podcast Lovett of Leave It. Het is een wekelijkse live-show onder leiding van John Lovett, voormalig speechschrijver van Obama. Met een wisselend panel van komieken, acteurs en journalisten bespreekt hij de week die Trump achterliet. “What a week!” zijn standaard de beginwoorden; “Ja, wat een week!” is telkens mijn gedachte.

De show is slim, geestig, scherp. Hij combineert de voortdurende verbijstering met strijdvaardigheid (zonder de kritische blik op het liberale verzet te verliezen).

Waarom luister ik er zo graag naar? Misschien omdat het een antwoord is op de lastige vraag hoe me tot de ontwikkelingen te verhouden. Aan de ene kant word ik voortdurend verleid tot hilariteit over de ongehoorde absurditeiten die dag in dag uit lijken plaats te vinden. Aan de andere kant ben ik in veertig jaar niet zo bezorgd  geweest over de gebeurtenissen op het wereldtoneel.

Lovett or Leave It weet op een slimme manier deze twee houdingen te combineren. En zo laadt het me op voor weer een week historische onvoorspelbaarheid.

En mijn overhemden zien er weer strak uit.

 

 

Schaduwonderwijs

Het is Hemelvaart. De kleine jongen loopt over de stille straat. Hij draait rondjes om zijn as, want hij ontdekt zijn schaduw. Morgen is het anders, want dan kent hij zijn schaduw al.

Dat maakt vandaag zo mooi, omdat het alleen vandaag is. Eeuwige schoonheid bestaat niet, het is de tijdelijkheid die glans geeft.

Bijna tweeduizend jaar geleden verliet Christus zijn volgelingen om naast zijn vader op de troon te gaan zitten en tot het einde der tijden mee te bestieren.

Ik vind het geen manier van doen. Liever van onvoltooide tijd naar voltooide tijd, dan het tijdelijke voor het eeuwige verruilen.

Als je gaat, maak dan plaats. Met achterlating van je sporen. Optionele richtingaanwijzers.

Want het meeste leert hij toch van zijn eigen schaduwen.

Waarom ik geen terreurbeelden meer kijk

Ik kijk niet meer.

Niet dat ik niet vrolijk heb meegedaan.

De opwinding van live het tweede vliegtuig in de WTC-toren zien crashen. “Nee, dat kan geen toeval zijn” roepen tegen de commentator van dienst. De tv 14 uur aanhouden omdat je er geen genoeg van kan krijgen.

Daarna Madrid, Londen, Beslan. Het nieuws moest gevolgd worden.

Maar bij de ISIS-onthoofdingen kwam de inkeer. Waarschijnlijk doordat het geweld hier tegen eenlingen was gericht. Ik wende het hoofd af. Besefte dat ik niet moest kijken; niet alleen om mezelf te beschermen, maar ook om me niet in de val van de terrorist te laten lokken.

Hij doet anderen kwaad juist om zin beelden te creëeren. Hij slachtoffert met opzet anderen om afschuw te wekken. Het kijken naar terreurbeelden is daardkorst principieel niet anders dan het kijken naar kinderporno. Je maakt je medeplichtig aan afschuwelijk geweld.

Ik hoef me niet af te sluiten. Het nieuws bereikt me via vele wegen, verbeelding en inlevingsvermogen doen de rest. Maar de beelden wil ik niet meer zien.

Nu nog rijker aan spelfouten

“Leuke blog, maar schrijf je wel even reikt aan in plaats van rijkt aan.”

Fijn zulke lezers.

Het was meer dan een simpele verschrijving. Want altijd als ik ‘reikt uit’ of ‘reikt aan’ wil schrijven, moet ik het opzoeken (of schrijf ik het domweg fout). Ik probeer het me in te prenten voor de volgende keer, maar zonder resultaat. Dan slaat weer net zo hard de twijfel toe.

Vraag me naar het aantal letters in het alfabet, en ik raak in dezelfde onzekerheid (was het nu 25 met of zonder lange ij?). Of het aantal dagen in het jaar (365 met of zonder schrikkeldag?). Of mensen waarvan je standaard de naam vergeet.

Met alle kennis in mijn hoofd, blijven er dezelfde twijfelpunten. Als tikken in de plaat (of schrijffouten op de harde schijf in modernere beeldspraak).

Waarom kun je bepaalde informatie niet opslaan? Is er onlosmakelijk een labeltje aan verbonden: vertrouw dit niet? Is de eerste ingeving consequent juist, of juist altijd fout? Of wordt er quantummechanisch een onbestemd antwoord opgelepeld?

Wist ik het antwoord, dan kende ik de oplossing.

En het raarste is nog: uitreiking zal ik nooit fout schrijven.

Verjaardagsdilemma

[6] Je doet jezelf onrecht, mijn ziel, onrecht en geweld. En om respect te leren voor jezelf zul je de tijd niet meer hebben. Kort is ieders leven en dat van jou is al bijna voorbij, terwijl je geen respect toont voor jezelf , maar je geluk afhankelijk maakt van de zielen van anderen.

[7] Brengen de dingen die van buiten komen je uit je evenwicht? Gun je dan de rust om er iets van het goede bij te leren en laat je niet meer heen en weer slingeren. [..]

Marcus Aurelius, Persoonlijke notities. Boek 2.

Mijn 51ste verjaardag was goed. We stonden samen een dag lekkere dingen te maken, om die ’s avonds in goed gezelschap te nuttigen.

Maar er dreef een wolk boven.

In mijn achterhoofd bleef de vraag spelen of een naast (maar ver weg wonend) familielid mij zou bellen, of op andere wijze iets van zich zou laten horen. Het bleef stil. Net zoals het vorig jaar stil bleef, toen ik hem uitgenodigd had om het feest te vieren. Zelfs voor de eer bedanken was te veel gevraagd.

Het is niet het niet bellen. Daar heb ik lang genoeg voor gehad om aan te wennen. Het is de constatering dat het me bezig houdt. Dat het me emotionele energie kost die ik graag aan betere zaken zou besteden.

Marcus Aurelius reikt de sleutel aan, denk ik. Nu alleen nog het sleutelgat vinden.

Na de storm

Sommige films kun je maar beter in je eentje zien. Omdat ze te dichtbij komen.

Rond het middaguur zat ik met vier vreemden naar After the Storm van de Japanse regisseur Kore-eda Hirokazu te kijken.

Een prachtig verstilde film, over een door goklust aan lager wal geraakte schrijver, zijn moeder en zus, zijn ex en zijn zoon. Een fijnzinnig familiedrama.

En dan is er ineens die ene scène. Een indirecte boodschap van zijn vader, die enige tijd voorheen plots overleed.

De scène kwam zo aan, dat ik me ineens realiseerde waar mijn pijn vandaan komt. Wat ik nog op te lossen heb. En ik voelde me gesterkt in de overtuiging hoe belangrijk het is liefde uit te dragen waar het kan.

Het is maar een particuliere reactie. Zoals er zoveel particuliere reacties zijn die dit soort prachtfilms kunnen oproepen.

Leve de onvolmaaktheid

Kroonjaren deden me niet zoveel. De dag voor de verjaardag was niet anders dan die erna.

Tot ik vorig jaar vijftig werd. “Dit is het,” dacht ik, “hier zal ik het mee moeten doen, en anderen ook. Er valt vast nog een en ander te verbeteren, maar veranderen lijkt me hoog gegrepen. Ik ben wie ik ben.”

Wonderlijk genoeg zette juist dat besef een verandering in gang. Steeds vaker durfde ik te zeggen wat ik niet goed had gedaan, of waar ik onzeker over was.

Ook toen ik een paar weken geleden dit weblog weer tot leven wekte, sloop het er zonder opzet in. In meer of mindere mate schreef ik over voorvallen waar ik niet trots op ben.

Het werkte bevrijdend. En het riep reacties op. Iemand, wier werk ik bewonder, schreef me vorige week hoe blij ze was met wat ik blogde. Dat ze er in leest dat we allemaal mens zijn. Dat ze worstelt met alle rollen die ze perfect wil vervullen. Dat ze zou willen dat we eerlijker zouden zijn over wat het leven soms moeilijk maakt.

Er viel me een boel te binnen naar aanleiding van haar woorden. Maar telkens kwam ik uit bij dit gevoel: hoe beknellend is toch de cultuur die opdraagt overal maar het positieve van in te zien, die de somberheid en de zorg in de ban doet.

Terwijl de erkenning van de onvolmaaktheid zoveel kan opleveren. Besef van wat we kunnen verbeteren om verder te komen. Inzicht in wat anderen drijft zonder ze te veroordelen. Tevredenheid over hoe ver we gekomen zijn. Het bewustzijn dat mildheid niet hetzelfde is als onverschilligheid. (Een les die ik zelf nog wel een paar keer mag herhalen.)

We moesten maar eens, naast onze successen, ook onze onvolmaaktheid vieren.

De blik

Alfred Birney ontving gisteren de Libris Literatuurprijs 2017 voor ‘De tolk van Java’. Kijk eens hoe blij hij is.

Aleen maar blij?

Dit is de blik van de man die al dertig jaar romans schrijft. In eenzaamheid, woord voor woord. Hopend dat het goed is, dat het iemand wat doet.

En dan ineens de prijs.

Als een marathonloper die toch nog de finish haalt.

Het is lijden én geluk.