Uitgelezen: Koelie van Madelon Székely-Lulofs

Soms hebben boeken je iets te vertellen, ook als ze achterhaald zijn. Koelie (1932) van Madelon Székely-Lulofs (1899-1958) is zo’n boek.

Het verhaal speelt in Deli op Sumatra aan het begin van de twintigste eeuw. De Javaanse jongen Koelie wordt door een ronselaar verleid om contractarbeider op een rubberplantage te worden. Hem wordt een toekomst met vrouwen, gokken en goud voorgespiegeld. Een paar jaar in dit paradijs doorbrengen, om daarna in rijkdom terug te keren, dat lijkt hem wel wat.

Al snel blijkt hij in de val van uitbuiting, geweld en vernedering terecht gekomen te zijn. Een val waaraan alleen de wilskrachtigen weten te ontsnappen. Dat zijn in deze roman soms de vrouwen, zeker niet de mannen.

Maatschappijkritisch of rolbevestigend?

Toen het boek verscheen maakte het grote indruk. Het was een van de eerste boeken waarin de wreedheid van het koloniale systeem vanuit inlandse ogen beschreven werd. Je kunt het dan ook lezen als een kritiek op dat systeem. Toch is daar wel wat op af te dingen.

Maaike Meijer liet in haar studie In tekst gevat (1996) zien dat de verteller in het boek slechts ogenschijnlijk de positie van Roekie inneemt. Er wordt een bevoogdende toon aangeslagen, de inlanders worden voortdurend met dieren vergeleken, en zelfbewustzijn lijkt ver weg te zijn. Uiteindelijk wordt de neergang van Roekie aan zijn eigen noodlot toegeschreven.

Ook Gabor Pusztai, hoofddocent van de vakgroep Nederlands bij de Universiteit Debrecen, zette bij de collegereeks Caraïbische Dromen kanttekeningen bij de roman. Hij betoogt dat de Hollander de grote afwezige is in het verhaal. Roekie gaat ten gronde aan Indische ronselaars en opzieners. De Nederlandse plantagehouders blijven buiten beeld, en daarmee ook hun verantwoordelijkheid.

Geen oog voor de koloniale economie

Madelon Székely-Lulofs schrijft over de contractarbeiders: “Alle tegenstreven, alle verzet brak in deze geestdoodende sleur. Machinaal, zonder te denken, deden ze het werk, wisten niet waaróm ze het deden. Wisten niet van productenmarkten, van handel, niet van speculatie in de blanke wereld…” Maar ook zij laat het economische aspect geheel buiten beschouwing.

Het noodlot lijkt bij haar eerder een kwestie van natuur dan van koloniale economie. Van het leven op Java geeft ze een idyllische beschrijving. Totdat de ronselaar komt: “Drop na drop mengde de vreemdeling het gif in hun droomleven van vrede en geluk.”

De nobele wilde wordt uit zijn paradijs gelokt. Daarmee bevestigt ze de modieuze tegenstelling: de inlander gedijt in zijn primitieve staat, de Hollander in de moderne economie.

Ze zegt het ook in zoveel woorden in een interview in 1932: “Ik heb Koelie geschreven uit een zuiver litterair oogpunt en zonder politieke bedoeling. […] Ik was gepakt door het verschil tusschen den Westerling en den Oosterling en de groote fout van den Westerling is, dat hij niet voldoende doordringt in de psyche van den inlander. Ze begrijpen elkaar niet. Ik heb de menschen willen laten zien hoe een koelie op alles reageert en hoe het leven is op Deli.”

Niet bij het oud papier

Is Koelie dan een boek dat bij het oud papier kan? Toch niet.

Allereerst blijft het afschrikwekkende beeld van het leven op de plantages overeind, ongeacht de oorsprong die de schrijfster er aan geeft. Uit historische literatuur weten we weliswaar dat de omstandigheden nog verschrikkelijker waren dan zij al beschrijft, maar ook zo maakt het al behoorlijk veel indruk.

En al lezende drong tot me door dat het misschien wel erg gemakkelijk is om de auteur te veroordelen voor haar perspectief. Sluiten wij niet nu net niet zo onze ogen voor schrijnende situaties die zich onder onze ogen afspelen? Voor de Oost-Europese uitzendkrachten bijvoorbeeld, opeengepropt in bungalowparken, die onze pakketten verzamelen en champignons oogsten. Plukken wij niet net zo hard de vruchten van een onrechtvaardig systeem? Gebruiken we daarvoor de vermeende drankzucht als eigenschap van de contractarbeider, waarachter wij onze verantwoordelijkheid kunnen verstoppen?

Zo bezien is Koelie nog steeds een actueel boek, maar niet op een manier die Madelon Székely-Lulofs zal hebben voorzien.

(Overigens roept de verschijningsgeschiedenis nog wat vragen op. De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren meldt dat haar versie gebaseerd is op de eerste druk bij Uitgeverij Kroonder in Bussum uit 1931. Op de afgebeelde titelpagina staat geen jaartal. In bijna alle literatuur over Koelie wordt 1932 genoemd als het eerste jaar van verschijnen (bij Elsevier). Is dat de tweede druk, of zit de dbnl fout?)

Deze blogpost maakt deel uit van een serie naar aanleiding van de collegereeks Caraïbische dromen door prof. Michiel van Kempen van de Universiteit van Amsterdam. Lees hier de andere blogposts.

3 gedachten over “Uitgelezen: Koelie van Madelon Székely-Lulofs”

  1. J, dat is gek dat DBNL zegt een uitgave door uitgeverij F.G. Kroonder in Bussum uit 1931 te hebben gebruikt (we zien trouwens alleen maar een scan van de titelpagina met de uitgeversnaam – in de pdf wordt weer 1932 als verschijningsjaar opgegeven). Maar uit de kranten van september en oktober 1932 blijkt dat de nieuwe roman Koelie spoedig wordt verwacht. Die verschijnt, althans in Indië, pas in oktober 1932, onduidelijk bij welke uitgeverij, maar waarschijnlijk Elsevier, dezelfde als waar een jaar eerder Rubber verscheen. En ze publiceerde haar verhalen inmiddels ook bij het door Herman Robbers geleide Elsevier’s Geïllustreerde Maandschrift. Ik zie dat Kroonder het boek ook in 1945 hebben uitgegeven. Waarschijnlijk heeft DBNL dat boek gebruikt en een fout gemaakt met ‘1931’, het jaar waarin Rubber verscheen.

    1. Inmiddels heeft de DBNL gemeld dat het jaar van uitgave inderdaad 1932 moet zijn. Begin april verschijnt de correctie op de site.

Ik hoor graag wat je ervan vindt