Uitgelezen: Raoul de Jong, Jaguarman

Raoul de Jong (1984) is een danser. Zo iemand die de raarste bewegingen normaal doet lijken. Alsof ze vanzelf voortkomen uit de voorgaande beweging en moeiteloos tot stand gekomen zijn.

Hij is ook een schrijver. Hij schrijft zoals hij danst. Gracieus, licht, meeslepend. Alleen dat al maakt zijn nieuwste boek, Jaguarman, een genot om te lezen.

Het is een veelzijdig werk. Kunstig vlecht De Jong de strengen door elkaar: een zoektocht naar de vader en de eigen identiteit, een reisverslag, een beschouwing over de geschiedenis en de literatuur van Suriname, een oproep tot een positieve levenshouding.

De kiem van het boek ligt in de ontmoetingen die De Jong vanaf zijn zevenentwintigste had met zijn vader. De Jong had zijn Surinaamse verwekker, die zijn Hollandse moeder nog voor de bevalling verliet, niet eerder gesproken. Tot de ontmoeting had hij nog nooit interesse gevoeld voor zijn Surinaamse wortels.

Dat verandert zodra zijn vader hem vertelt over hun voorouders, en vooral over Jaguarman, de medicijnman die zich in een jaguar kon veranderen. De Jong besluit op onderzoek uit te gaan. Eerst leest hij zich in, dan vertrekt hij naar Suriname.

Zijn verslag loopt gelijk op met een zevendaags winti-reinigingsritueel, dat hij bij terugkomst uitvoert. Zo wast hij dag voor dag zijn verleden af, terwijl het vervangen wordt door zijn groeiend Surinaams zelfbesef.

Maar helemaal een Surinamer wordt hij niet. In Paramaribo ziet iedereen dat hij van over de oceaan komt. Niet zozeer door zijn blauwe ogen, maar juist door zijn kroeshaar. Dat draag je niet los. Dat toont je Hollandse vrijpostigheid.

De Jong liep bij het schrijven het gevaar van twee kanten aangevallen te worden, zo vertelde hij bij de collegereeks Caraïbisch dromen. Aan de ene kant door de Surinamers, omdat hij schrijft over de winti-religie. Aan de andere kant door de Nederlanders, omdat hij schrijft over de gruwelen van de slavernij.

Hij heeft voor dat laatste een slimme oplossing gevonden. Zijn boek is een monoloog, gericht aan de Jaguarman. Daardoor kan de lezer meeluisteren, zonder zich direct aangesproken te voelen. Tegenover de Jaguarman plaatst hij de Pairaoendepo, het mensenetende monster uit de verhalen van de Indianen, waarmee ze de blanke man aanduidden die het land kwam veroveren. Ook dit zorgt ervoor dat ik als witte lezer buiten schot blijf als de wreedheden beschreven worden. Zo weet hij in een tijd van gepolariseerde opvattingen een brug te slaan.

Het opmerkelijkste is wel dat de zoektocht naar zijn Surinaamse voorouders De Jong uiteindelijk niet brengt naar een nieuwe identiteit, maar naar een universele boodschap. We hebben het allemaal in ons om een jaguarman te worden, die dicht bij zichzelf en zijn omgeving blijft. En zo komt de schrijver terug bij de jongen die hij ooit was, dromend van dansen door het tropisch regenwoud.

Niet iedereen zal dit holistisch einde waarderen. Maar ook dan zal de reis veel goed maken. In leesplezier en in kennis over de Surinaamse geschiedenis en cultuur. Want ook als je geen jaguarman wil zijn, is het toch lekker om over hem te lezen.

Deze blogpost maakt deel uit van een serie naar aanleiding van de collegereeks Caraïbische dromen door prof. Michiel van Kempen van de Universiteit van Amsterdam. Lees hier de andere blogposts.

Van lichtmatroos naar brave Hendrik

De eerste liedjes over Indië waren oproepen om aan te monsteren op de schepen van de V.O.C. Dat was niet zo vreemd, vertelde emeritus hoogleraar koloniale literatuur Bert Paasman bij zijn gastcollege over liedjes over de Oost en de West. In de 17e en 18e eeuw kon maar zo’n 40 procent van de Nederlanders lezen. Dus werden op de markten liederen gezongen om jonge mannen te verleiden.

Erg aantrekkelijk was het zeemansleven niet. De reis naar de Oost duurde bijna een jaar. De helft van de bemanningsleden keerde nooit terug naar de Republiek. Deels omdat men zich in Indië vestigde, maar toch vooral doordat ze de reis niet overleefden.

Hoe de jongens dan toch zo ver te krijgen dat zij familie en goed achterlieten. Het antwoord was simpel: door die producten voor te spiegelen waar jongen mannen naar verlangen en altijd te weinig hebben: geld en sex.

(Tekst bij de Nederlandse Liederenbank.)

Het lied deed me denken aan de reclames voor defensie, die al decennia te zien op televisie. Deze verleiden met avontuur, heldhaftige muziek, lage camerastandpunten en donkere belichting. En ook hier wordt het gezin achtergelaten.

Van betaling in goud en vrouwen is echter geen sprake meer. De beloning bestaat nu uit persoonlijke ontwikkeling.

Want avontuur is mooi, maar het moet wel een beetje netjes blijven.

Deze blogpost maakt deel uit van een serie naar aanleiding van de collegereeks Caraïbische dromen door prof. Michiel van Kempen van de Universiteit van Amsterdam. Lees hier de andere blogposts.

Onderhandel altijd in een schone onderbroek

Zorg altijd dat je schoon ondergoed aan hebt als je van huis gaat. Dat zeggen moeders al eeuwen, en niet omdat ze je halfnaakt de straat op willen sturen.

Zo ook met onderhandelingen. Ondanks alle roep om transparantie weten we heus wel, dat die zich niet in het openbaar kunnen afspelen.

De essentiële vraag bij vertrouwelijk overleg is: mag wat wij nu in het geheim bespreken nog níet bekend worden, omdat dat het proces verstoort? Of mag het nóóit bekend worden, omdat we geschreven en ongeschreven regels aan ons laars lappen? Want de andere deelnemers en de buitenstaanders moeten erop kunnen vertrouwen, dat die regels gerespecteerd worden.

Dus als er wat uitlekt, moet je kunnen zeggen: vervelend dat het nu op straat ligt, maar ik kan wel uitleggen waarom het nodig was. Net zoals: balen dat mijn broek afzakt, gelukkig maar dat er geen gaten in mijn onderbroek zitten.

Als je vergeetachtigheid moet veinzen, geef je aan iets gedaan te hebben wat het daglicht niet velen kan. Helemaal als je anderen erbij probeert te lappen. Je hebt dan het vertrouwen geschaad. Vertrouwen dat noodzakelijk is om in beslotenheid te kunnen overleggen.

Mark Rutte stond in zijn hemd. En zijn hemd was niet schoon.



Uitgelezen: De stille kracht van Louis Couperus

In de vierde klas van de middelbare school schreef onze leraar geschiedenis een rijtje Russen en hun belangrijkste boeken op het bord. „Iedereen zou voor zijn twintigste vijf van deze boeken gelezen moeten hebben,” zei hij de klas. Het lukte me, en de Russen hebben me nooit meer los gelaten.

Bij de lessen Nederlands kregen we zo’n opdracht niet. Zou het daarom nog ruim dertig jaren duren tot ik een boek van Louis Couperus las? En nu, mede door de collegereeks over Caraïbische literatuur, pas een tweede boek: De stille kracht? Wat heb ik al die jaren gemist!

Lees “Uitgelezen: De stille kracht van Louis Couperus” verder

Uitgelezen: Koelie van Madelon Székely-Lulofs

Soms hebben boeken je iets te vertellen, ook als ze achterhaald zijn. Koelie (1932) van Madelon Székely-Lulofs (1899-1958) is zo’n boek.

Het verhaal speelt in Deli op Sumatra aan het begin van de twintigste eeuw. De Javaanse jongen Koelie wordt door een ronselaar verleid om contractarbeider op een rubberplantage te worden. Hem wordt een toekomst met vrouwen, gokken en goud voorgespiegeld. Een paar jaar in dit paradijs doorbrengen, om daarna in rijkdom terug te keren, dat lijkt hem wel wat.

Al snel blijkt hij in de val van uitbuiting, geweld en vernedering terecht gekomen te zijn. Een val waaraan alleen de wilskrachtigen weten te ontsnappen. Dat zijn in deze roman soms de vrouwen, zeker niet de mannen.

Lees “Uitgelezen: Koelie van Madelon Székely-Lulofs” verder

Ik vond stemmen op een vrouw onzin, tot dit jaar

Lang vond ik het stemmen op een vrouw alleen omdat ze vrouw is onzin.

Het onderzoek dat vrouwelijke politici meer haat te verduren krijgen dan mannen heeft mijn opvatting veranderd. Allereerst kan ik met mijn stem aangeven dat ik het niet oké vind hoe ze behandeld worden, en mijn steun betuigen.

Bovendien moeten vrouwen die het in de politiek volhouden wel enorme bevlogen en onverzettelijke bikkels zijn. Anders zouden ze zich hebben laten wegjagen.

Daarom stem ik op een vrouw.

Uitgelezen: Wij slaven van Suriname van Anton de Kom

In 2020 werd kreeg Google ineens vanuit Nederland veel meer zoekvragen naar de Surinaams-Nederlandse auteur Anton de Kom te verwerken dan voorheen. Vanuit Suriname neemt de belangstelling overigens jaar na jaar af.

De verklaring ligt voor de hand: in juni 2020 werd Anton de Kom opgenomen in de Canon van Nederland. Aan het eind van het jaar werd zijn boek Wij slaven van Suriname, dat wel wordt gezien als de eerste anti-koloniale geschiedenis van Suriname vanuit Surinaams perspectief, heruitgegeven. Wat hebben De Kom en zijn bijna negentig jaar oude boek (het verscheen voor het eerst in 1934) het 21ste-eeuwse Nederland te bieden?

Lees “Uitgelezen: Wij slaven van Suriname van Anton de Kom” verder

Wat zal men óns verwijten?

Wanneer je je verdiept in koloniale en post-koloniale literatuur, zoals ik nu een aantal weken doe, word je onvermijdelijk geconfronteerd met achterhaalde denkbeelden, die nu bijna onvoorstelbaar zijn. Hoe kan iemand niet zien hoe verwerpelijk slavernij is? Hoe kan iemand zo denken over mensen met een andere huidskleur? Hoe kan iemand zich verheven voelen boven de ander?

Het gebruikelijke antwoord is dan: je moet het in de tijd zien. De mens is niet vrij alles te denken; zijn denken is verbonden met het debat van het moment. Velen kunnen daarin de randen opzoeken, slechts weinigen zijn in staat om echt de grenzen over te gaan.

Of het daarbij gaat over slavernij, racisme, maar ook over kindermishandeling, vrouwen- of homohaat,: het gaat telkens om wangedrag richting de machteloze. Als het je maar lukt om de andere niet als volwaardig (of zelfs niet als mens) te zien, dan kun je hem of haar onheus behandelen zonder last te krijgen van je geweten. Je kan dit gedrag vertonen zolang de ander zich niet kan verweren.

Lees “Wat zal men óns verwijten?” verder

Uitgelezen: Wide Sargasso Sea van Jean Rhys

Jane Eyre, hoofdpersoon in de naar haar genoemde roman uit 1847 van Charlotte Brontë, kan niet met haar grote liefde trouwen, omdat hij, Edward Rochester, al getrouwd blijkt. Zijn vrouw heeft hij opgesloten op zolder, omdat ze gek is geworden. Toen hij met haar uitgehuwelijkt werd op Jamaica, had niemand hem verteld dat de waanzin in haar familie zat.

Veel meer komen we van deze vrouw, Bertha, niet te weten. Dat stuitte de op het Caraïbische eiland Dominica geboren schrijfster Jean Rhys (1890-1979) tegen de borst. Zij besloot een voorgeschiedenis te schrijven, waarin Bertha een eigen gezicht kreeg. In 1966 verscheen haar Wide Sargasso Sea. Het werd een groot succes voor de 76-jarige schrijfster. Het was ook een grote verassing, voor de schrijfster die sinds 1939 teruggetrokken leefde in armoede.

Lees “Uitgelezen: Wide Sargasso Sea van Jean Rhys” verder

Uitgelezen: De stille plantage van Albert Helman

De afgelopen weken deed ik hier verslag van wat ik las voor de collegereeks Caraïbische dromen. Deze week valt me dat lastig. Albert Helmans De stille plantage is zo’n veelzijdig boek, dat het moeilijk valt te besluiten waar te beginnen.

Dan maar aan het eind. In het eennalaatste hoofdstuk laat Helman de hoofdpersoon Raoul zeggen:

Ik wilde goed zijn en mij werd slechts vergund een weinig kwaad te stuiten.

… en even later …

Ik ging niet om schoonheid, maar om een geloof dat mij dreef totdat ik niet anders meer kon. Veel is over daarvan, verhard tot een weten, en weten doet afzien van daden.

Het zijn opmerkelijke regels uit de pen van een man wiens leven in het teken stond van goed doen. Als journalist en strijder tijdens de Spaanse burgeroorlog, aan het eind van de jaren dertig begaan met het lot van de joodse vluchtelingen voor het nazi-regime, in het verzet gedurende de bezetting. Waar kwam het defaitisme aan het eind van De stille plantage vandaan, en hoe heeft Helman zich eroverheen gezet.

Lees “Uitgelezen: De stille plantage van Albert Helman” verder