Uitgelezen: De stille plantage van Albert Helman

De afgelopen weken deed ik hier verslag van wat ik las voor de collegereeks Caraïbische dromen. Deze week valt me dat lastig. Albert Helmans De stille plantage is zo’n veelzijdig boek, dat het moeilijk valt te besluiten waar te beginnen.

Dan maar aan het eind. In het eennalaatste hoofdstuk laat Helman de hoofdpersoon Raoul zeggen:

Ik wilde goed zijn en mij werd slechts vergund een weinig kwaad te stuiten.

… en even later …

Ik ging niet om schoonheid, maar om een geloof dat mij dreef totdat ik niet anders meer kon. Veel is over daarvan, verhard tot een weten, en weten doet afzien van daden.

Het zijn opmerkelijke regels uit de pen van een man wiens leven in het teken stond van goed doen. Als journalist en strijder tijdens de Spaanse burgeroorlog, aan het eind van de jaren dertig begaan met het lot van de joodse vluchtelingen voor het nazi-regime, in het verzet gedurende de bezetting. Waar kwam het defaitisme aan het eind van De stille plantage vandaan, en hoe heeft Helman zich eroverheen gezet.

Een katholiek uit Suriname

Helman (1903-1996) werd geboren in een zeer katholiek gezin in Paramaribo, met onder meer Creoolse en indiaanse wortels. Twaalf jaar oud werd hij naar het seminarie Rolduc in Roermond gestuurd om de priesteropleiding te volgen. Het werd geen succes. Even keerde hij terug naar Suriname, om in 1922 weer de boot naar Nederland te nemen. Van 1925 tot 1931 was hij redacteur van het katholieke avantgarde-tijdschrift De Gemeenschap. In die periode schreef hij De stille plantage, dat in 1931 verscheen.

De goede meester

Het boek speelt aan het einde van de zeventiende eeuw. Een hugenoot (Franse calvinist) ontvlucht met zijn vrouw en haar twee zusters Frankrijk, nadat Lodewijk XIV de protestanten vogelvrij verklaard heeft. Deze Raoul besluit naar Suriname te gaan om een plantage op te zetten. Hij wil, anders dan hij om zich heen ziet, een goede meester zijn voor zijn slaven. De onderneming begint voorspoedig, maar eindigt, ondanks of dankzij de goede bedoelingen, dramatisch. Mede door de spanning met de opzichter Willem Das, een slavenhouder van de oude stempel. Hij heeft een oogje op Raouls zus Agnes, die op haar beurt zeer onder de indruk is van de slaaf Isisdore.

Eenzijdig beeld

De stille plantage werd een groot en blijven verkoopsucces. Wel nam de kritiek op het boek in de loop der jaren toe. Vooral omdat Helman de slaven wel erg eenzijdig verbeelde. Op Isisdore na krijgen ze geen eigen gezicht, geen eigen wil en worden ze over vaak met dierlijke termen beschreven.

Als je het boek leest als een verslag van het leven op de slavenplantages, het eerste dat in het Nederlands verscheen, dan is het in moderne ogen helemaal eenzijdig. Het wordt geheel beschreven vanuit de visie van de planters. Het perspectief van de slaven is grotendeels afwezig.

Een groot gevaar bij het lezen van literatuur is dat je de blik van de auteur van vereenzelvigt met zijn opvattingen. Zag Helman de slavernij als iets vanzelfsprekends (waar je goed of slecht in kon acteren), zag hij de negerslagen als halve wilden of beesten? Of heeft hij die visie nodig om iets over zijn hoofdpersonen te kunnen zeggen?

Vast in het geloof

Mij valt de moeizame relatie van Raoul en Agnes met hun geloof op. Het geloof betekent veel voor hen, geen wonder, ze hebben er immers hun land voor verlaten. Het inspireert hen tot goed doen. Maar tegelijkertijd weerhoudt het hen van werkelijk goed te doen. Want het christelijk geloof plaatst hen boven de ongelovigen.

Wat zijn zij nog ver van het Christendom, zei [Raoul] tegen Cécile. En lang zal het duren voordat zij redelijke mensen geworden zijn.

… en iets later …

Ze begrijpen de eenvoudigste dingen niet. Hoe zullen zij dan ooit begrijpen waarom ze slaven zijn?

Zelfs de missie kan de afstand niet overbruggen. Hoezeer Isidore ook zijn schreden richting het christelijk geloof zet, hij zal altijd tekenen van primitief bijgeloof tonen. En daarmee zal hij altijd een kinderlijke vreemde blijven, over wie je je eventueel moet ontfermen, van wie je kunt houden, maar naar wie je niet hoeft te luisteren.

Zoveel lezers, zoveel interpretaties

Geen vraag zo funest voor literatuurbeleving als ‘wat bedoelt de schrijver’. Veel interessanter vind ik de vraag ‘wat doet het boek de lezer (nog)?’. Deze lezer, gevormd door zijn achtergrond en geschiedenis, leest het boek als een waarschuwing: voordat je de goede dingen kunt doen, zul je eerst onder ogen moeten zien waar je je verheven voelt boven de ander. Pas dan kun je luisteren. Pas dan kun je handelen.

Naar mijn gevoel markeert het verschijnen van De stille plantage niet voor niets Helmans afscheid van De Gemeenschap en het katholieke geloof.

Voor mijn lezing echter zoveel andere als er lezers zijn. Bijvoorbeeld die van Xandra Schutte in De Groene Amsterdammer. Zij betoogt dat het oerwoud de hoofdpersoon is, die de witte mens doet verliezen. Het is een strijd tussen de blanke beschaving en het dierlijke die ook naar voren komt in het verontrustende verhaal dat Helman een paar jaar eerder schreef: Mijn aap schreit.

Die verscheidenheid van interpretaties maakt het lezen van literatuur nu juist zo mooi. Een goed boek kan zoveel zijn, en elke weer iets anders.

Deze blogpost maakt deel uit van een serie naar aanleiding van de collegereeks Caraïbische dromen door prof. Michiel van Kempen van de Universiteit van Amsterdam. Lees hier de andere blogposts.

Eén gedachte over “Uitgelezen: De stille plantage van Albert Helman”

Ik hoor graag wat je ervan vindt