De stille plantage van Albert Helman

De afgelopen weken deed ik hier verslag van wat ik las voor de collegereeks Caraïbische dromen. Deze week valt me dat lastig. Albert Helmans De stille plantage is zo’n veelzijdig boek, dat het moeilijk valt te besluiten waar te beginnen.

Dan maar aan het eind. In het eennalaatste hoofdstuk laat Helman de hoofdpersoon Raoul zeggen:

Ik wilde goed zijn en mij werd slechts vergund een weinig kwaad te stuiten.

… en even later …

Ik ging niet om schoonheid, maar om een geloof dat mij dreef totdat ik niet anders meer kon. Veel is over daarvan, verhard tot een weten, en weten doet afzien van daden.

Het zijn opmerkelijke regels uit de pen van een man wiens leven in het teken stond van goed doen. Als journalist en strijder tijdens de Spaanse burgeroorlog, aan het eind van de jaren dertig begaan met het lot van de joodse vluchtelingen voor het nazi-regime, in het verzet gedurende de bezetting. Waar kwam het defaitisme aan het eind van De stille plantage vandaan, en hoe heeft Helman zich eroverheen gezet.

Lees “De stille plantage van Albert Helman” verder

En we noemen hem…

“Voor wie ik liefheb wil ik heten” dichtte Neeltje Maria Min in 1966. Daarmee drukte ze uit wat een naam kan zijn: een brug tussen je individualiteit en de wereld om je heen. Ken mij, zegt de naam. Zie mijn bijzonderheid.

Je naam is niet alleen bedoeld voor wie je liefhebt. Je hebt hem, als je geluk hebt, ook gekregen van wie je liefheeft. Een voornaam die hun liefdevolle verwachting uitdrukt, een achternaam die je wortels geeft.

Hoe anders was het bij de zo’n 300.000 mensen die als slaaf gevoerd werden van Afrika naar Suriname. Alex van Stipriaan laat het zien in zijn artikel Slavernij en de strijd om de Afro-Surinaamse identiteit, dat op het programma stond in het tweede college van de reeks Caraïbische dromen. Bij aankomst in Suriname deed het niet ter zake hoe je heette voor je (vaak achtergebleven) geliefden. Je meester gaf je een nieuwe naam. Een naam die geen liefde uitdrukte, maar een bezitsverhouding. Een verbale aanvulling op het brandmerk dat je kreeg.

Slechts 10 procent van de slaafgemaakten kreeg een Afrikaanse naam. Meestal waren de namen Europees, vaak bizar of spottend. Overigens kregen mannen vaker zo’n denigrerende naam toegemeten. De vrouwen werden dikwijls als lustobject gezien, en kregen een lieflijke naam die daarbij pastte. Ook de mensen die in slavernij geboren werden, kregen een naam van hun meester.

Maar de invloed van de meesters ging maar zover. Want in de slavengemeenschappen ontstonden al snel eigen namen. Want voor wie ik liefheb wil ik heten. Niet voor wie mij bezit.

Wij zijn gewend om te zeggen “Ik ben …”. Op de plantages was het meer “Ik ben nu …”. Afhankelijk van de situatie waar je je in bevond. Binnen- of buitenwereld. Gespleten persoonlijkheden.

Wat je niet kent zie je niet

Hetzelfde beeld van twee werelden die naast elkaar bestaan, en elkaar alleen raken waar de dominante partij dat wil, komt naar voren uit het reisverslag dat Pieter Groen maakte van zijn toch langs plantages tussen 1792 en 1794. Deze jonge koopmanszoon, nonvaleur en rokkenjager stelt zichzelf in het middelpunt van de wereld. Maar wat er werkelijk om hem heen gebeurde drong niet echt tot hem door.

In de gesprekken tijdens het online college, met onder andere deelnemers uit Suriname en de Antillen, bleek hoeveel er tussen zijn regels te lezen is, en hoezeer hierbij je eigen blik invult wat Pieter Groen niet zag.

Zo lazen we:

Er zijn niet veel kinderen. Dat schrijf ik toe aan enkele oude vrouwen die als vroedvrouw werken. Ze hebben de instelling dat het beter is zoonlief bij de geboorte te wurgen dan aan de blanken af te staan.

Het opmerkelijk is dat Pieter Groen dit vooral iets vind zeggen over de recalcitrantie van een aantal individuen (‘enkele oude vrouwen’). Hij ziet niet dat het systeem waar hij inzit zo verwerpelijk is, dat mensen uit verzet zelfs hun eigen kinderen willen vermoorden.

Pieter Groen kon het niet zien (al had hij een verlichte achtergrond, en waren er al denkers die zich tegen de slavernij verzetten). Hij stond te centraal in zijn wereld om het te kunnen zien. En hij heeft ook vooral oog voor de slaaf als reproducerend productiemiddel. “De creooltjes planten zich aardig voort.”

Moeten we hem veroordelen? Is hij kind van zijn tijd? Of moeten we vooral proberen te begrijpen wat hem bewoog. En nog belangrijker, om zijn tekst heen kijken om te zien wat de geschiedenis van de slaafgemaakten was?

En in het achterhoofd de vraag: wat zijn de zaken die wij nu niet zijn, die geen naam mogen hebben, waar toekomende generaties met verbijstering naar zullen kijken?

Deze blogpost maakt deel uit van een serie naar aanleiding van de collegereeks Caraïbische dromen door prof. Michiel van Kempen van de Universiteit van Amsterdam. Lees hier de andere blogposts.

Wel kennis, maar weinig inzicht over de West

Mijn eerste kennismaking met Suriname vond plaats in de vierde klas van de lagere school (nu groep 6 van de basisschool). We gingen naar een tentoonstelling over dat geheimzinnige land, dat op het punt stond zelfstandig te worden. Vooral de overweldigende natuur maakte indruk op me.

In de loop van de jaren groeide mijn kennis maar mondjesmaat. Suriname bleef ver weg. De staatsgreep en de decembermoorden voedden het beeld van een bananenrepubliek. Ik kende de oppervlakkige historische feiten en de complexe bevolkingssamenstelling. Een gevoel had ik er amper bij.

Tijdens mijn studie geschiedenis, eind jaren tachtig, begin jaren negentig, kwam natuurlijk wel de slavenhandel aan de orde. Terugkijkend ging het vooral over wat ‘wij’ Nederlanders gedaan en misdaan hadden, veel minder over wat het voor anderen betekend had.

Misschien doe ik mezelf hier wat tekort voor wat betreft mijn kennis over Suriname en de Antillen. Ik kon ze tenminste op de kaart aan wijzen. Maar ze bleven ver weg in mijn bewustzijn. En ook uit mijn boekenkast. Door schrijvers als Salman Rushdie en Vikram Seth wist ik meer van de impact van de Britse overheersing in India, dan van de Nederlandse invloed op de Surinaamse en Antilliaanse geest.

Dat was mijn uitgangspunt bij het eerste college van de reeks Caraïbische dromen van Michiel van Kempen (eerder deze week schreef ik waarom ik ben gaan volgen). Meer kennis dan inzicht kortom.

Het eerste college was een inleiding waarvoor alleen secundaire, en nog geen primaire literatuur op de rol stond. Een van de opgegeven teksten was Hollandse hovaardij. Moderne Surinaamse schrijvers over Nederland. van Jos de Roo in de bundel Europa buitengaats. Koloniale en postkoloniale literatuur in Europese talen. (te lezen via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren dbnl).

Ik vond het een mooi en leesbaar overzicht. Het lukt De Roo om de rode draden te laten zien, en tegelijkertijd de individualiteit van de besproken auteurs naar voren te laten komen. Hij begint met duidelijk te maken dat Suriname een creatie van Nederland is. Een land met een zeer grote verscheidenheid aan bevolkingsgroepen en talen. Het (Surinaams-)Nederlands speelt een belangrijke bindende rol. In de kolonie ontstaat een verheven beeld van het moederland. Maar eenmaal in Nederland gearriveerd, ervaren de meeste schrijvers het als kil en onecht. Pas dan vormt zich bij hen het (positieve) beeld van Suriname.

Het hoofdstuk en de tekst lieten me zien dat de Surinaamse constellatie, en dus haar literatuur, veel complexer is dan ik dacht. Het wekt mijn nieuwsgierigheid.

Het eerste college heeft me niet zozeer veel meegegeven dat ik nog niet wist, maar me wel inzicht gegeven hoe de geschiedenis doorwerkt op de cultuur. Daarbij realiseer ik me dat wat ik meegekregen heb, toch vooral gaat over wat de Nederlanders gedaan hebben, en hoe je dat kunt beoordelen. De Surinaamse en Antilliaanse stem heb ik daarbij te weinig gehoord. Dat is juist waar de kracht van literatuur ligt. Op naar volgende week dus.

Daarbij is het extra leuk, dat doordat het college noodgedwongen online gegeven wordt, er ook mensen uit Suriname en de eilanden mee kunnen doen.


Deze blogpost maakt deel uit van een serie naar aanleiding van de collegereeks Caraïbische dromen door prof. Michiel van Kempen van de Universiteit van Amsterdam. Lees hier de andere blogposts.

Caraïbische dromen

Vanmiddag schuif ik digitaal aan bij het eerste college van de reeks Caraïbische dromen over post-koloniale literatuur van prof. Michiel van Kempen van de UvA. Voor het eerst in zo’n dertig jaar weer in de collegebanken.

De lockdown en het thuiswerken maakt dit extra gemakkelijk en aantrekkelijk (is er een betere manier om de avondklok door te komen dan met een boek?). Dat was echter niet de hoofdreden om me in te schrijven.

Ik bouw voort op een ervaring van een paar jaar geleden. Toen besloot ik een jaar lang alleen maar boeken van vrouwen te lezen. Ik had gemerkt dat ik veel meer boeken van mannen dan van vrouwen las. Iets hield me blijkbaar tegen om boeken van vrouwen open te slaan.

Meestal is zit er achter je leeslijst geen vooropgezet plan. Hij vormt zich door microkeuzes: welk boek ga ik nu lezen? Onbewuste verwachtingen kunnen telkens die keuze beïnvloeden (‘boeken van vrouwen zijn saai’). Doordat de wijzer iedere keer dezelfde kant uitslaat, komt er ook geen impuls om de verwachtingen bij te stellen.

Toen ik me op een dieet van boeken van vrouwen zette, veranderde mijn beeld. Of liever: het versplinterde. De verschillen tussen de boeken waren veel groter, dan de overeenkomsten. Het ‘vrouwenboek’ bestond niet. Ik las een aantal mooie boeken die ik anders niet gelezen zou hebben. Het heeft mijn leeservaring en mijn keuzemogelijkheden verrijkt.

Op dezelfde manier merk ik dat ik voor het overgrote deel boeken van westerse (of Russische) auteurs lees. Waarom pak ik de boeken van niet-westerse schrijvers niet op? Ergens zit er blijkbaar de verwachting dat ze me minder zullen bieden.

Daarom stort ik me nu een tijdje op de Surinaamse, Antilliaanse en indische literatuur. Zal het mijn blik verruimen? Wat gaat het doen met mijn taalgevoel? Ik ben benieuwd, en hou je op de hoogte.


Deze blogpost maakt deel uit van een serie naar aanleiding van de collegereeks Caraïbische dromen door prof. Michiel van Kempen van de Universiteit van Amsterdam. Lees hier de andere blogposts.