Uitgelezen: Koelie van Madelon Székely-Lulofs

Soms hebben boeken je iets te vertellen, ook als ze achterhaald zijn. Koelie (1932) van Madelon Székely-Lulofs (1899-1958) is zo’n boek.

Het verhaal speelt in Deli op Sumatra aan het begin van de twintigste eeuw. De Javaanse jongen Koelie wordt door een ronselaar verleid om contractarbeider op een rubberplantage te worden. Hem wordt een toekomst met vrouwen, gokken en goud voorgespiegeld. Een paar jaar in dit paradijs doorbrengen, om daarna in rijkdom terug te keren, dat lijkt hem wel wat.

Al snel blijkt hij in de val van uitbuiting, geweld en vernedering terecht gekomen te zijn. Een val waaraan alleen de wilskrachtigen weten te ontsnappen. Dat zijn in deze roman soms de vrouwen, zeker niet de mannen.

Lees “Uitgelezen: Koelie van Madelon Székely-Lulofs” verder

Ik vond stemmen op een vrouw onzin, tot dit jaar

Lang vond ik het stemmen op een vrouw alleen omdat ze vrouw is onzin.

Het onderzoek dat vrouwelijke politici meer haat te verduren krijgen dan mannen heeft mijn opvatting veranderd. Allereerst kan ik met mijn stem aangeven dat ik het niet oké vind hoe ze behandeld worden, en mijn steun betuigen.

Bovendien moeten vrouwen die het in de politiek volhouden wel enorme bevlogen en onverzettelijke bikkels zijn. Anders zouden ze zich hebben laten wegjagen.

Daarom stem ik op een vrouw.

Uitgelezen: Wij slaven van Suriname van Anton de Kom

In 2020 werd kreeg Google ineens vanuit Nederland veel meer zoekvragen naar de Surinaams-Nederlandse auteur Anton de Kom te verwerken dan voorheen. Vanuit Suriname neemt de belangstelling overigens jaar na jaar af.

De verklaring ligt voor de hand: in juni 2020 werd Anton de Kom opgenomen in de Canon van Nederland. Aan het eind van het jaar werd zijn boek Wij slaven van Suriname, dat wel wordt gezien als de eerste anti-koloniale geschiedenis van Suriname vanuit Surinaams perspectief, heruitgegeven. Wat hebben De Kom en zijn bijna negentig jaar oude boek (het verscheen voor het eerst in 1934) het 21ste-eeuwse Nederland te bieden?

Lees “Uitgelezen: Wij slaven van Suriname van Anton de Kom” verder

Wat zal men óns verwijten?

Wanneer je je verdiept in koloniale en post-koloniale literatuur, zoals ik nu een aantal weken doe, word je onvermijdelijk geconfronteerd met achterhaalde denkbeelden, die nu bijna onvoorstelbaar zijn. Hoe kan iemand niet zien hoe verwerpelijk slavernij is? Hoe kan iemand zo denken over mensen met een andere huidskleur? Hoe kan iemand zich verheven voelen boven de ander?

Het gebruikelijke antwoord is dan: je moet het in de tijd zien. De mens is niet vrij alles te denken; zijn denken is verbonden met het debat van het moment. Velen kunnen daarin de randen opzoeken, slechts weinigen zijn in staat om echt de grenzen over te gaan.

Of het daarbij gaat over slavernij, racisme, maar ook over kindermishandeling, vrouwen- of homohaat,: het gaat telkens om wangedrag richting de machteloze. Als het je maar lukt om de andere niet als volwaardig (of zelfs niet als mens) te zien, dan kun je hem of haar onheus behandelen zonder last te krijgen van je geweten. Je kan dit gedrag vertonen zolang de ander zich niet kan verweren.

Lees “Wat zal men óns verwijten?” verder

Uitgelezen: Wide Sargasso Sea van Jean Rhys

Jane Eyre, hoofdpersoon in de naar haar genoemde roman uit 1847 van Charlotte Brontë, kan niet met haar grote liefde trouwen, omdat hij, Edward Rochester, al getrouwd blijkt. Zijn vrouw heeft hij opgesloten op zolder, omdat ze gek is geworden. Toen hij met haar uitgehuwelijkt werd op Jamaica, had niemand hem verteld dat de waanzin in haar familie zat.

Veel meer komen we van deze vrouw, Bertha, niet te weten. Dat stuitte de op het Caraïbische eiland Dominica geboren schrijfster Jean Rhys (1890-1979) tegen de borst. Zij besloot een voorgeschiedenis te schrijven, waarin Bertha een eigen gezicht kreeg. In 1966 verscheen haar Wide Sargasso Sea. Het werd een groot succes voor de 76-jarige schrijfster. Het was ook een grote verassing, voor de schrijfster die sinds 1939 teruggetrokken leefde in armoede.

Lees “Uitgelezen: Wide Sargasso Sea van Jean Rhys” verder

Uitgelezen: De stille plantage van Albert Helman

De afgelopen weken deed ik hier verslag van wat ik las voor de collegereeks Caraïbische dromen. Deze week valt me dat lastig. Albert Helmans De stille plantage is zo’n veelzijdig boek, dat het moeilijk valt te besluiten waar te beginnen.

Dan maar aan het eind. In het eennalaatste hoofdstuk laat Helman de hoofdpersoon Raoul zeggen:

Ik wilde goed zijn en mij werd slechts vergund een weinig kwaad te stuiten.

… en even later …

Ik ging niet om schoonheid, maar om een geloof dat mij dreef totdat ik niet anders meer kon. Veel is over daarvan, verhard tot een weten, en weten doet afzien van daden.

Het zijn opmerkelijke regels uit de pen van een man wiens leven in het teken stond van goed doen. Als journalist en strijder tijdens de Spaanse burgeroorlog, aan het eind van de jaren dertig begaan met het lot van de joodse vluchtelingen voor het nazi-regime, in het verzet gedurende de bezetting. Waar kwam het defaitisme aan het eind van De stille plantage vandaan, en hoe heeft Helman zich eroverheen gezet.

Lees “Uitgelezen: De stille plantage van Albert Helman” verder

Dinsdag 23 februari 2021 – een lees- en luisterlijst

  • 📰 De ander voor laten gaan is op aarde een deugd (Maxim Februari / nrc)
    Ik hou van de columns van filosoof Februari, die vaak scherp zicht heeft op de actualiteit door een stap naar achteren te doen.
  • 📻 Interview Paul van Loon (De Grote Vriendelijke Podcast)
    De Dolfje Weerwolfje-boeken bestaan 25 jaar. Een mooie aanleiding voor een aflevering van deze kinderboekenpodcast voor volwassenen. Doordat het audio is kun je eens voorbij Pauls zonnebril kijken.
  • 💻 Jodenkoek (Ewoud Sanders / Instituut voor de Nederlandse taal)
    Waar komt de naam Jodenkoek vandaan, en is hij denigrerend bedoeld?
  • 📰 The Lies Hollywood Tells About Little Girls (Mara Wilson / The New York Times)
    Is het belachelijk dat in Nederland kinderen beschermd worden tegen te veel optreden? Dit opiniestuk laat de gevaren zien, zeker als je een meisje bent.

En we noemen hem…

“Voor wie ik liefheb wil ik heten” dichtte Neeltje Maria Min in 1966. Daarmee drukte ze uit wat een naam kan zijn: een brug tussen je individualiteit en de wereld om je heen. Ken mij, zegt de naam. Zie mijn bijzonderheid.

Je naam is niet alleen bedoeld voor wie je liefhebt. Je hebt hem, als je geluk hebt, ook gekregen van wie je liefheeft. Een voornaam die hun liefdevolle verwachting uitdrukt, een achternaam die je wortels geeft.

Hoe anders was het bij de zo’n 300.000 mensen die als slaaf gevoerd werden van Afrika naar Suriname. Alex van Stipriaan laat het zien in zijn artikel Slavernij en de strijd om de Afro-Surinaamse identiteit, dat op het programma stond in het tweede college van de reeks Caraïbische dromen. Bij aankomst in Suriname deed het niet ter zake hoe je heette voor je (vaak achtergebleven) geliefden. Je meester gaf je een nieuwe naam. Een naam die geen liefde uitdrukte, maar een bezitsverhouding. Een verbale aanvulling op het brandmerk dat je kreeg.

Slechts 10 procent van de slaafgemaakten kreeg een Afrikaanse naam. Meestal waren de namen Europees, vaak bizar of spottend. Overigens kregen mannen vaker zo’n denigrerende naam toegemeten. De vrouwen werden dikwijls als lustobject gezien, en kregen een lieflijke naam die daarbij pastte. Ook de mensen die in slavernij geboren werden, kregen een naam van hun meester.

Maar de invloed van de meesters ging maar zover. Want in de slavengemeenschappen ontstonden al snel eigen namen. Want voor wie ik liefheb wil ik heten. Niet voor wie mij bezit.

Wij zijn gewend om te zeggen “Ik ben …”. Op de plantages was het meer “Ik ben nu …”. Afhankelijk van de situatie waar je je in bevond. Binnen- of buitenwereld. Gespleten persoonlijkheden.

Wat je niet kent zie je niet

Hetzelfde beeld van twee werelden die naast elkaar bestaan, en elkaar alleen raken waar de dominante partij dat wil, komt naar voren uit het reisverslag dat Pieter Groen maakte van zijn toch langs plantages tussen 1792 en 1794. Deze jonge koopmanszoon, nonvaleur en rokkenjager stelt zichzelf in het middelpunt van de wereld. Maar wat er werkelijk om hem heen gebeurde drong niet echt tot hem door.

In de gesprekken tijdens het online college, met onder andere deelnemers uit Suriname en de Antillen, bleek hoeveel er tussen zijn regels te lezen is, en hoezeer hierbij je eigen blik invult wat Pieter Groen niet zag.

Zo lazen we:

Er zijn niet veel kinderen. Dat schrijf ik toe aan enkele oude vrouwen die als vroedvrouw werken. Ze hebben de instelling dat het beter is zoonlief bij de geboorte te wurgen dan aan de blanken af te staan.

Het opmerkelijk is dat Pieter Groen dit vooral iets vind zeggen over de recalcitrantie van een aantal individuen (‘enkele oude vrouwen’). Hij ziet niet dat het systeem waar hij inzit zo verwerpelijk is, dat mensen uit verzet zelfs hun eigen kinderen willen vermoorden.

Pieter Groen kon het niet zien (al had hij een verlichte achtergrond, en waren er al denkers die zich tegen de slavernij verzetten). Hij stond te centraal in zijn wereld om het te kunnen zien. En hij heeft ook vooral oog voor de slaaf als reproducerend productiemiddel. “De creooltjes planten zich aardig voort.”

Moeten we hem veroordelen? Is hij kind van zijn tijd? Of moeten we vooral proberen te begrijpen wat hem bewoog. En nog belangrijker, om zijn tekst heen kijken om te zien wat de geschiedenis van de slaafgemaakten was?

En in het achterhoofd de vraag: wat zijn de zaken die wij nu niet zijn, die geen naam mogen hebben, waar toekomende generaties met verbijstering naar zullen kijken?

Deze blogpost maakt deel uit van een serie naar aanleiding van de collegereeks Caraïbische dromen door prof. Michiel van Kempen van de Universiteit van Amsterdam. Lees hier de andere blogposts.

Dinsdag 16 februari 2021 – een lees- en luisterlijst

Wel kennis, maar weinig inzicht over de West

Mijn eerste kennismaking met Suriname vond plaats in de vierde klas van de lagere school (nu groep 6 van de basisschool). We gingen naar een tentoonstelling over dat geheimzinnige land, dat op het punt stond zelfstandig te worden. Vooral de overweldigende natuur maakte indruk op me.

In de loop van de jaren groeide mijn kennis maar mondjesmaat. Suriname bleef ver weg. De staatsgreep en de decembermoorden voedden het beeld van een bananenrepubliek. Ik kende de oppervlakkige historische feiten en de complexe bevolkingssamenstelling. Een gevoel had ik er amper bij.

Tijdens mijn studie geschiedenis, eind jaren tachtig, begin jaren negentig, kwam natuurlijk wel de slavenhandel aan de orde. Terugkijkend ging het vooral over wat ‘wij’ Nederlanders gedaan en misdaan hadden, veel minder over wat het voor anderen betekend had.

Misschien doe ik mezelf hier wat tekort voor wat betreft mijn kennis over Suriname en de Antillen. Ik kon ze tenminste op de kaart aan wijzen. Maar ze bleven ver weg in mijn bewustzijn. En ook uit mijn boekenkast. Door schrijvers als Salman Rushdie en Vikram Seth wist ik meer van de impact van de Britse overheersing in India, dan van de Nederlandse invloed op de Surinaamse en Antilliaanse geest.

Dat was mijn uitgangspunt bij het eerste college van de reeks Caraïbische dromen van Michiel van Kempen (eerder deze week schreef ik waarom ik ben gaan volgen). Meer kennis dan inzicht kortom.

Het eerste college was een inleiding waarvoor alleen secundaire, en nog geen primaire literatuur op de rol stond. Een van de opgegeven teksten was Hollandse hovaardij. Moderne Surinaamse schrijvers over Nederland. van Jos de Roo in de bundel Europa buitengaats. Koloniale en postkoloniale literatuur in Europese talen. (te lezen via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren dbnl).

Ik vond het een mooi en leesbaar overzicht. Het lukt De Roo om de rode draden te laten zien, en tegelijkertijd de individualiteit van de besproken auteurs naar voren te laten komen. Hij begint met duidelijk te maken dat Suriname een creatie van Nederland is. Een land met een zeer grote verscheidenheid aan bevolkingsgroepen en talen. Het (Surinaams-)Nederlands speelt een belangrijke bindende rol. In de kolonie ontstaat een verheven beeld van het moederland. Maar eenmaal in Nederland gearriveerd, ervaren de meeste schrijvers het als kil en onecht. Pas dan vormt zich bij hen het (positieve) beeld van Suriname.

Het hoofdstuk en de tekst lieten me zien dat de Surinaamse constellatie, en dus haar literatuur, veel complexer is dan ik dacht. Het wekt mijn nieuwsgierigheid.

Het eerste college heeft me niet zozeer veel meegegeven dat ik nog niet wist, maar me wel inzicht gegeven hoe de geschiedenis doorwerkt op de cultuur. Daarbij realiseer ik me dat wat ik meegekregen heb, toch vooral gaat over wat de Nederlanders gedaan hebben, en hoe je dat kunt beoordelen. De Surinaamse en Antilliaanse stem heb ik daarbij te weinig gehoord. Dat is juist waar de kracht van literatuur ligt. Op naar volgende week dus.

Daarbij is het extra leuk, dat doordat het college noodgedwongen online gegeven wordt, er ook mensen uit Suriname en de eilanden mee kunnen doen.


Deze blogpost maakt deel uit van een serie naar aanleiding van de collegereeks Caraïbische dromen door prof. Michiel van Kempen van de Universiteit van Amsterdam. Lees hier de andere blogposts.