Onderhandel altijd in een schone onderbroek

Zorg altijd dat je schoon ondergoed aan hebt als je van huis gaat. Dat zeggen moeders al eeuwen, en niet omdat ze je halfnaakt de straat op willen sturen.

Zo ook met onderhandelingen. Ondanks alle roep om transparantie weten we heus wel, dat die zich niet in het openbaar kunnen afspelen.

De essentiële vraag bij vertrouwelijk overleg is: mag wat wij nu in het geheim bespreken nog níet bekend worden, omdat dat het proces verstoort? Of mag het nóóit bekend worden, omdat we geschreven en ongeschreven regels aan ons laars lappen? Want de andere deelnemers en de buitenstaanders moeten erop kunnen vertrouwen, dat die regels gerespecteerd worden.

Dus als er wat uitlekt, moet je kunnen zeggen: vervelend dat het nu op straat ligt, maar ik kan wel uitleggen waarom het nodig was. Net zoals: balen dat mijn broek afzakt, gelukkig maar dat er geen gaten in mijn onderbroek zitten.

Als je vergeetachtigheid moet veinzen, geef je aan iets gedaan te hebben wat het daglicht niet velen kan. Helemaal als je anderen erbij probeert te lappen. Je hebt dan het vertrouwen geschaad. Vertrouwen dat noodzakelijk is om in beslotenheid te kunnen overleggen.

Mark Rutte stond in zijn hemd. En zijn hemd was niet schoon.



Ik vond stemmen op een vrouw onzin, tot dit jaar

Lang vond ik het stemmen op een vrouw alleen omdat ze vrouw is onzin.

Het onderzoek dat vrouwelijke politici meer haat te verduren krijgen dan mannen heeft mijn opvatting veranderd. Allereerst kan ik met mijn stem aangeven dat ik het niet oké vind hoe ze behandeld worden, en mijn steun betuigen.

Bovendien moeten vrouwen die het in de politiek volhouden wel enorme bevlogen en onverzettelijke bikkels zijn. Anders zouden ze zich hebben laten wegjagen.

Daarom stem ik op een vrouw.

Wat zal men óns verwijten?

Wanneer je je verdiept in koloniale en post-koloniale literatuur, zoals ik nu een aantal weken doe, word je onvermijdelijk geconfronteerd met achterhaalde denkbeelden, die nu bijna onvoorstelbaar zijn. Hoe kan iemand niet zien hoe verwerpelijk slavernij is? Hoe kan iemand zo denken over mensen met een andere huidskleur? Hoe kan iemand zich verheven voelen boven de ander?

Het gebruikelijke antwoord is dan: je moet het in de tijd zien. De mens is niet vrij alles te denken; zijn denken is verbonden met het debat van het moment. Velen kunnen daarin de randen opzoeken, slechts weinigen zijn in staat om echt de grenzen over te gaan.

Of het daarbij gaat over slavernij, racisme, maar ook over kindermishandeling, vrouwen- of homohaat,: het gaat telkens om wangedrag richting de machteloze. Als het je maar lukt om de andere niet als volwaardig (of zelfs niet als mens) te zien, dan kun je hem of haar onheus behandelen zonder last te krijgen van je geweten. Je kan dit gedrag vertonen zolang de ander zich niet kan verweren.

Lees “Wat zal men óns verwijten?” verder

Te veel voor een week (en waarom ik Twitter verliet)

Wat een week.

  • Een Amerikaanse president die zijn QAnonnenvoer afstuurt op het parlement. Dat zijn coup mislukt ligt enkel aan zijn luiheid en incompetentie.
  • Een partij die voorstelt om 1 miljoen Nederlanders het kiesrecht te ontnemen. Maar het is om Nederland weer ouderwets gezellig te maken, verkondigen diverse media.
  • Een politicus die aan een gefilmde, gezellige, borreltafel leugen na leugen mag verkondigen. De presentator, een vriend, laat het allemaal begaan.

Het is om woest van te worden. Alle waarden waarmee ik ben opgegroeid, worden hier gekrenkt. Nooit meer fascisme lijkt niet zo zeker meer.

Waar vindt de woede haar uitweg? Zeker tijdens een lockdown is Twitter het ventiel. Daar uit ik mijn spitsvondigheden, benoem ik opzettelijke en abusievelijke denkfouten, plaats ik me aan de goede kant van de geschiedenis.

Wat levert het op? Het verandert de wereld niet. Wel veroorzaakt het onrust in mijn hoofd, die slaap en werk en leven in de weg staat.

Dus ben ik er weg. Een stap terug om te bedenken wat ik wel kan doen, zonder het welzijn van mezelf en de mensen om me heen aan te tasten.

Het spijt me wel. Ik mis de geestige gesprekspartners, de tips van de belezenen. Ik mis de getuigenissen van de verzorgenden in de corona-crisis. Ik zou ze weer een bemoedigend hartje willen zenden.

Misschien bedenk ik nog hoe ik er het giftige kan vermijden en het voedzame kan behouden. Dan kom ik terug.

Hubris

Het eerste woord dat me te binnenviel bij de exit-poll in het Verenigd Koninkrijk donderdagavond was hubris. Want je hebt niets aan een gymnasiumopleiding, maar het komt soms wel van pas.

Meestal wordt hubris vertaal met overmoed of hoogmoed, maar dat dekt de lading niet helemaal. Minstens zo belangrijk is het idee dat de dader/slachtoffer door zijn kortzichtige gedrag de wrok van de goden over zich afroept. Het is daarmee een typisch theatrale duiding van de werkelijkheid, die vervuld wordt met de dramatische ontknoping. Het roept bij de kijker een net-goed-reactie op.

Want hubris is een gemakkelijk verwijt, dat pas gemaakt wordt nadat iemand publiekelijk ten val gekomen is. Wie slaagt krijgt nooit te horen dat hij tenauwernood aan hubris is ontsnapt. Dan spreken we van lef.

Is het dan toeval welk oordeel je ten deel valt, afhankelijk van het eindresultaat? Zijn externe factoren (een boven verwachting presterende kandidaat, Russisch ingestoken nepnieuws) bepalend?

Of is de moderne invulling van lef en hubris met name afhankelijk van een risico-inschatting? Is het lef als je er voor kiest iets riskants te doen, en je je er bewust van bent dat je er alles aan moet doen om succes te hebben? Terwijl hubris verleidt tot een verslapping van de aandacht, omdat je denkt dat de race al gelopen is?

(Een modern verschil, omdat Icarus veel te verwijten valt, maar geen gebrek aan inzet. Hij weigert naar zijn vader en zijn goden te luisteren. Iets wat wij tegenwoordig amper als strafbaar feit aanmerken.)

Als aan de moderne hubris vooral een onderschatting van risico ten grondsslag ligt, dan lijkt het recept niet voorzichtigheid, maar volharding.

4 mei: herdenken of indenken?

Het is begin mei; zoals vanouds bespreken we wie we herdenken op 4 mei. Bootvluchtelingen, Duitse soldaten, of toch alleen de joodse slachtoffers. Niet altijd een verheffend schouwspel.

Onder de hele discussie schuilt het idee dat de dodenherdenking altijd een eenduidig uitgangspunt heeft gehad: de herdenking van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.

De eerste jaren na de oorlog betrof het herdenken echter Allen de ‘gevallenen’: soldaten en verzetsstrijders die hun daden met de dood hadden moeten bekopen. Slachtoffers waren veel minder in beeld (behalve in eigen kring).

Michal Citroen beschrijft in U wordt door niemand verwacht hoe weinig compassie er in de eerste naoorlogse jaren was voor de joden die de verschrikkingen hadden overleefd (en daarmee ook voor hen die de dood ingedreven waren). Voor de terugkeerders uit de Indische kampen gold hetzelfde. Pas in de loop der tijd is de aandacht verschoven van de gevallenen naar de slachtoffers (na 1961 ging de nationale herdenking formeel over alle militaire en burgerslachtoffers van oorlogshandelingen en vredesoperaties vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog).

Die aandacht voor de slachtoffers was goed in zijn tijd. Maar het leidt ook tot de taferelen die we de laatste jaren zien. We komen tegenover elkaar te staan in plaats van naast elkaar.

Op een zeker moment wordt tijd voor een omslag. Van herdenken naar indenken. Met de herinnering aan de slachtoffers in het achterhoofd indenken hoe gemakkelijk wij zelf tot dader kunnen worden, en wat we moeten doen om dat, ieder voor zich, te voorkomen. Wanneer die introspectie het doel is, maakt het niet meer uit welke historische gebeurtenissen het persoonlijk vertrekpunt zijn.

Voor mijzelf blijft de Tweede Wereldoorlog, en met name de jodenvervolging, de toetssteen. Ik ben er dan ook mee opgegroeid; mijn vader maakte de oorlog nog bewust mee en vertelde erover. Voor minstens de helft van de Nederlanders geldt dit niet meer. De oorlog raakt steeds verder weg.

Wat niet verdwijnt zijn de menselijke impulsen die kunnen leiden tot het kwaad. Laten we het daar over gaan hebben, en niet over wie wel of niet meetelt als slachtoffer.

Ik stemde voor en heb toch geen spijt

Woensdag ging ik om kwart over acht in de ochtend naar het stembureau om in te stemmen met het Oekraïne-akkoord. Naar ik begrijp zou ik spijt moeten hebben, nu de kiesdrempel net gehaald is, en er twee keer meer tegen- dan voorstemmers bleken te zijn. Ik heb het niet.

Wie een verkiezing of een referendum ziet als een wedstrijd kan dat gevoel hebben. Doordat hij is gaan stemmen, heeft de andere gewonnen. Anders was de wedstrijd onbeslist gebleven.

Maar stemmen is geen wedstrijd. Ondanks het kamerlid dat de voorstemmers voor losers, en de thuisblijvers voor dubbele losers uitmaakte. Oude communistische tijden herleefden.

Het grootste deel van de bevolking is tegen het associatieverdrag. Dat bleek overduidelijk uit de uitslag, en ook uit opiniepeilingen vooraf. Of je vindt dat gegeven van politiek belang, en dan moet je daar wat mee, ongeacht de uitslag van het referendum. Of je vindt dat niet van belang, dan moet je het referendum afschaffen of op zijn minst aanpassen.

In beide gevallen is het goed dat de kiesdrempel is gehaald.

Linkse eenheid

Job Cohen bepleitte zaterdag in het NRC Handelsblad een fusie van de linkse partijen. Het illustreert dat links denkt vanuit de partij, niet vanuit de kiezer.

De huidige politieke geschiedenis kent drie fusiepartijen: CDA, GroenLinks en de ChristenUnie. Twee daarvan laten zien dat de som niet altijd meer is dan de delen. Partijen kunnen besluiten tot fuseren, maar uiteindelijk kiest de kiezer. Er staat vast weer een nieuwe linkse partij die kiezers trekt.

Het geheim van rechts zit hem niet in de fusiekracht; het is politiek vernuft dat het verschil maakt.

CDA en VVD zijn als twee geliefden met een vrije relatie. Hoe ze ook vreemdgaan, ze houden het bed warm voor elkaar. En voor andere partijen met een rechtse signatuur. Ook als op onderwerpen extreme ideeën erop nahouden zijn ze welkom.

In de linker sponde is er meestal er een grotere (en openlijker) strijd wie zich tussen de lakens mag voegen. Het is tekenend dat Cohens genadeslag kwam na een toenadering tot de SP.

Toch is het de vraag of de linkse partijen het zouden redden met de rechtse aanpak. De linkse kiezer is de rechter niet. De rechtse partijen trekken over het algemeen kiezers die financieel en maatschappelijk succes hebben bereikt, of daaropuit zijn. (De PVV is hierbij het buitenbeentje, wat in het kabinet Rutte ook meermalen is gebleken). Dit succes bereik je over het algemeen door opportunisme. De rechtse kiezer, zo lijkt mij, accepteert dat opportunisme ook van politici. Zo ga je te werk als je wat wil bereiken.

De linkse kiezer is door de bank genomen idealistischer en rekent zijn voormannen het verlaten van de leer aan. Hij houdt zijn politici aan de leiband.

En zo leidt succes bij de bank ook tot succes in de volksvertegenwoordiging.

Een nieuw manifest

Today, 164 years after Marx and Engels wrote about grave-diggers [in het Communistisch Manifest], the truth is almost the exact opposite. The proletariat, far from burying capitalism, are keeping it on life support. Overworked, underpaid workers ostensibly liberated by the largest socialist revolution in history (China’s) are driven to the brink of suicide to keep those in the west playing with their iPads. Chinese money bankrolls an otherwise bankrupt America.

The Guardian beschrijft in welke vormen het marxisme weer opgeld doet.

Het teruggrijpen naar (ideologische of religieuze) heilsleren in tijden van crisis is tekenend. Het is het signaal dat we het niet meer weten, dat we de oude wijzen bidden om ons te redden.

Waar je zou denken, dat nieuwe problemen nieuwe oplossingen vragen, slaan we elkaar om de oren met het oude.

Wie ziet nog toekomst? Wie gelooft dat het beter kan worden dan het vroeger was? Dat krampachtig vasthouden of enkel achteruitkijken zorgen dat je de nieuwe mogelijkheden mist?

Een denker van honderdvijftig jaar geleden zal ons niet redden. Het is tijd voor een nieuw manifest.