Én

De laatste roman van Esther Gerritsen, De terugkeer, kent een sterk plot, dat aan Couperus doet denken. Maar het is niet het plot dat de grootste indruk op mij maakte. Het was één alinea, of misschien wel, een woord van twee letters.

Wat voorafging: 16 jaar na de zelfmoord van haar depressieve man vertrekt Johanna met haar vriend Frans naar zijn huis op Ibiza. Als ze de eerste tekenen van dementie begint te vertonen, dumpt Frans haar bij haar kinderen in Nederland. Nadat ze daar een paar weken is, lezen we:

Johanna ligt ook wakker. Ze denkt aan Frans en vraagt zich af of het nu warm is op Ibiza. Ze mist de zon. Ze mist het gevoel van blote voeten op de warme stoeptegels van hun terras. Zijn terras, corrigeert ze zichzelf. Frans heeft niets meer van zich laten horen en Johanna denkt aan de tegels.

Esther Gerritsen, De terugkeer 84.

Veelzeggend mooi is al de opvolging “hun terrras, zijn terras”. Niet alleen vanwege hun en zijn, maar ook omdat ‘terras’ van lading verandert. Van een ruimte om in geborgenheid rond te gaan, naar een bezit dat anderen uitsluit.

Maar de klap op de vuurpijl is het de laatste ‘en’.

Is het de nevenschikkende en? Dat Johanna aan tegels denkt staat los van het gedrag van Frans. Misschien beseft ze zijn verraad niet eens, door haar geestelijke achteruitgang.

Of is ’t het verwijtende én (‘ik zit me hier uit te sloven, én jij zit maar voor de televisie!’)? Het kan Johanna niets schelen dat ze Frans niet meer ziet, ze mist alleen de warmte van het eiland. Ze is minstens zo harteloos als Frans.

Of duidt ‘en’ op een oorzakelijk verband? Het handelen van Frans is zo confronterend, dat Johanna er alleen maar omheen kan denken. Een groot gemis uit zich in het missen van een kleinigheid.

Je kunt zoeken naar de juiste betekenis (wat bedoelt de auteur?). Je kunt het ook alle drie waar laten zijn. Dan vormt de betekenis die je hecht aan het woord ‘en’ je beeld van Johanna , en daarmee je interpretatie van de rest van het book .

Dan is ‘en’ de as waar het boek om draait. Geef het een slinger en het wordt een ander boek. Mooi vind ik dat.

Een onaangenaam mens

Niemand hoeft in Amsterdam in eenzaamheid begraven te worden. Daar zorgt Stichting De Eenzame Uitvaart voor. Lang regelde F. Starik dat er bij de uitvaart een speciaal geschreven gedicht werd voorgedragen. Na zijn vroege overlijden in 2018 heeft Joris van Casteren zijn rol overgenomen.

Van Casteren regelt niet alleen een dichter, hij schrijft ook —soms op basis van zeer beperkte gegevens— portretten van de overledenen.

Is er iets afschrikwekkenders dan alleen sterven? Kan je leven meer mislukken dan dat? De verhalen van Van Casteren zijn dan ook stuk voor stuk indrukwekkend.

Er zijn verhalen die nog iets sterker bij me binnenkomen dan de andere. Over Uitvaart #257 bijvoorbeeld. Dat mevrouw P. op 100 meter afstand stief van waar ik tot tien jaar geleden woonde, zal daar aan bijdragen. Maar nog meer indruk maakt de wijze waarop ze voortdurend mensen van zich vervreemde. Zo veel mensen wilden haar helpen, even zoveel renden gillend weg.

Wat een tragedie om zo onaangenaam te moeten zijn. Ik kan me niet voorstellen dat je dat zou willen. Ze zal niet anders gekund hebben. Iets had zich van haar meester gemaakt.

Het verhaal houdt ook een spiegel voor. We zijn bijna allemaal op zijn tijd onaangenaam. We horen immers voor ons zelf op te komen.

Maar er is een grens. In plaats van ‘memento mori’ denk ik nu: let erop aardig te blijven. En herlees zo nu en dan het verhaal over de schrik van Buitenveldert.

Draadje

Kunst houdt op waar men haar begrijpt.

I.K. Bonset, juni 1920.

Deze intrigerende quote kwam ik tegen op de wikipedia-pagina over I.K. Bonset. Ik kwam er zo achter dat Bonset de pennaam was van de Stijl-kunstenaar Theo van Doesburg.

Waarom zocht ik Bonset op? Omdat ik van de onvolprezen mailinglijst ljcoster een gedicht van hem toegestuurd kreeg. Deze mailinglijst stuurt al sinds de jaren negentig (?) iedere werkdag een gedicht toe. Je hoeft je alleen maar even aan te melden.

De gedichten zijn ook terug te vinden op het weblog Neerlandistiek. Daar krijg je in het weekend nog zelfs twee gedichten extra.

Wikipedia, ljcoster, neerlandistiek. Soms vergeet je wat een rijkdom het internet gebracht heeft. Je moet het alleen even weten te vinden.

Uitgelezen: Inventaris van enkele verliezen door Judith Schalansky

Op het eerste gezicht ziet Inventaris van enkele verliezen (2020) van Judith Schalansky eruit als andere boeken. Een harde kaft, een geheimzinnige donkere omslag (dat van het origineel Verzeichnis einiger Verluste nog net iets obscuurder). Maar de band houdt wat geheimen verborgen.

Dat mag niet verbazen, want Schalansky is niet alleen schrijver, maar ook typograaf en vormgever. Vorm en inhoud zijn in haar boeken, zoals De atlas van afgelegen eilanden uit 2013, nauw verbonden.

De Inventaris bestaat een inleiding en 12 hoofdstukken over verloren gegane zaken. Het eiland Tuanaki in de Stille Zuidzee, de Kaspische tijger, een schilderij van Caspar David Friedrich van de haven van Greifswald, de liefdesgedichten van Sappho, het Palast der Repubik in Berlijn bijvoorbeeld.

Ieder hoofdstuk wordt voorafgegaan door een zwart vel. Als je heel goed kijkt zie je, dat er met zwarte inkt een afbeelding op gedrukt is, die verschijnt, als je de pagina schuin onder het licht houdt. Bijna verdwenen, net zichtbaar.

Halverwege het boek word ik nieuwsgierig. Het boek is gebonden in katernen. Hoe is er dan voor gezorgd dat de zwarte bladzijden op de goede plek zitten? Want ieder vel heeft een pedant aan de andere kant van het katern.

De oplossing is even simpel als uitgekookt: ieder hoofdstuk blijkt precies 16 pagina’s lang te zijn. Precies één katern van 4 vel. Om en om zijn de katernen gevat in een zwart vel.

De hoofdstukken zijn dus in wezen bladvulling. Een extra uitdaging voor de schrijver. De teksten (die in meer of mindere mate verbonden zijn aan het verloren object) zijn vaak opsommend van aard, maar de rijkdom aan voorbeelden en taal maakt ze toch leesbaar. Stuk voor stuk leggen ze iets vast wat anders zou verdwijnen.

Ik was zo geen passieve lezer, maar deel van een keten: doordat ik de verhalen over verloren zaken las, bleven ze bewaard. En, zo bedacht ik me bij het dichtslaan van het boek: dit is geen literatuur, dit is beeldende kunst.

En de winnaar is …

Toen op 22 juni bekend werd gemaakt dat Sander Kollaard de Libris Literatuur Prijs 2020 gewonnen had, was ik teleurgesteld. Niet dat ik zijn Uit het leven van een hond al gelezen had, maar ik kon me niet voorstellen dat het zo mooi was als Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. Dat boek maakte vorig jaar een verpletterende indruk op me.

Ik begon dus Kollaards boek te lezen met de voortdurende vergelijking met Uphoff in het hoofd. Ik zocht naar onderbouwing waarom Uphoff echt had moeten winnen.

Maar gedurende de leessessies viel de behoefte om te vergelijken weg. Kollaards boek nam het over.

Op het eerste gezicht kunnen boeken haast niet sterker van elkaar verschillen dan deze twee. Kollaard beschrijft een dag uit het leven van Henk, ic-verpleegkundige van 56 jaar. Met zorgen om zijn doodzieke hond, inkopen doen, een ontmoeting in een bus, een barbecue op de verjaardag van zijn nichtje. Met het passeren van kleinere (en naar de ontknoping toe) iets grotere gebeurtenissen krijgen we een steeds beter beeld van de binnenwereld van Henk. (Volgens sommige lezers overigens gaat het leven Henk makkelijk af, ik heb daar mijn twijfels bij.)

Het metaforische vuurwerk van Uphoff contrasteert sterk met de ingetogenheid van Kollaard. Bij haar dient taal minder om het bestaan te begrijpen, meer om het te bezweren. Het boek gaat dan ook over iemand die een heftig verleden te verwerken heeft (door een incestueuze vader), en daar geen gewone zinnen voor kan gebruiken.

Toch zijn er ook overeenkomsten. Allereerst gloort er door het verhaal van Henk ook heftige gebeurtenissen door (onderkoeld verteld). Daarnaast proberen in beide boeken de hoofdpersonen iets van hun leven te maken. Daarbij grijpen ze terug op hun culturele bagage.

Ik realiseerde me hoezeer boeken elkaar nodig hebben. Want culturele bagage bestaat niet uit één boek, één schilderij, één opera. Het bestaat uit de interactie van alles wat je gelezen, gezien, gehoord hebt. Daarmee weef je je eigen culturele vangnet. Goede kunstwerken vullen elkaar daarbij aan, ze zijn geen concurrenten.

Dat zette mijn vraag wie de Libris Literatuur Prijs had moeten winnen in ander daglicht. Moet ik een boek afwijzen ten koste van een ander?

Ik pleit er niet voor om de prijs maar af te schaffen. De uitreiking en de aanloop zijn nog een van de weinige momenten dat literatuur uitgebreid aandacht krijgt in de media. Die aandacht is broodnodig.

Maar dat wil niet zeggen dat ik mee moet in het idee dat er maar een boek het beste is. Ik wil omarmen dat er zoveel mooie boeken zijn. Daarbij blijf ik Vallen is als vliegen een fantastisch boek vinden dat mijn leven voor een deel veranderd heeft. Een boek dat maar eens in de zoveel jaar voorbijkomt. Het lezen van Uit het leven van een hond heeft daar niets aan afgedaan. Het heeft die ervaring alleen maar versterkt.

Lees ze! Allebei.

Luister naar Een groot man en een goede man van François Haverschmidt

Een experiment: ik heb een verhaal van François Haverschmidt ingelezen. Omdat de bundel Familie en kennissen uit (1876) zo onterecht onbekend is. En om eens een keer te proberen. Het klink nog niet helemaal geweldig (het is lastig om de verschillende opname-delen in dezelfde kwaliteit te krijgen), maar als je het niet probeert, dan leer je het niet.

Jan-Willem Swane · François HaverSchmidt – Familie en kennissen – Een groot man en een goed man

Ik heb het vooral hier neergezet om te horen wat je er van vindt? Wat kan beter? Wil je meer horen? Laat het me weten!

2019 in lijstjes: boeken

Van de vijfendertig boeken die ik dit jaar las, sprong er een boven alles uit.

Manon Uphoff, Vallen is als vliegen.

Er zijn boeken die je betoveren door hun mooie taal, hun rijke beelden, hun ritme. Er zijn ook boeken die je overdonderen, omdat ze je een onbekende wereld laten zien, of nog beter, een bekende wereld van een onbekende kant.

Manon Uphoffs Vallen is als vliegen is een van die zeldzame boeken die dat allebei doen. Waarin de grenzen tussen vorm en inhoud vervagen.

Dat kan ook niet anders, omdat de gruwelijke inhoud (leven in een gezin met een incestueuze vader) de vorm nodig heeft. Alleen zo kan Uphoff de ambiguïteit overbrengen, zo kan ze de valkuilen van de slachtofferkitsch vermijden.

In een interview in de Volkskrant verklaarde Uphoff dat er een leven voor en na Vallen is als vliegen is. Voor deze lezer is dat niet anders.


Ik las nog meer moois:

Jaan Kross, Tussen drie plagen.

Een vierdelige roman over het zestiende eeuwse Estland. Kross schreef historische romans om onder de Sovjet-censuur uit te komen. Dat het boek toont hoe het eigenbelang telkens het collectieve belang ondergraaft, is dan ook geen toeval. Dat hier nog geen Netflix-serie van gemaakt is, verbaast me.

Bart van Loo, De Bourgondiërs.

Haast een roman vermomd als historisch overzichtwerk. Extra mooi als je er ook de Klara-podcast bij beluistert.

Esther Gerritsen, De trooster.

Stille roman over hoe het machtige het kleine blijft overdonderen, ook als het tot inkeer wil komen.

Thomas Rueb, Laura H..

Meeslepend relaas over hoe een Zoetermeers meisje zich in de IS-hel laat slepen. Vooral haar voorgeschiedenis is indrukwekkend. Misschien wel wat naïef over haar eigen motieven.

Annet Schaap, Lampje.

Dit kinderboek heeft niet voor niets vorig jaar alle prijzen gehad die jeugdliteratuur kan krijgen. Spreekt een veelvoud aan emoties aan. Zouden ook alle volwassen boekenliefhebbers moeten lezen.

Uitgelezen: Spiegel spiegel schouder van Dorthe Nors

Ik las de roman Spiegel spiegel schouder van de Deense Dorthe Nors. Over de ondragelijke lichtheid van de eenzaamheid.

Eén lijn gaat over de (verkruimelde) relatie tussen de hoofdpersoon Sonja, verhuisd naar Kopenhagen, en haar zus Kate, die in Jutland is blijven wonen.

Het boek liet me inzien wat de relatie tussen broers/zussen zo gecompliceerd kan maken. Doordat ze dezelfde afkomst hebben, verbeelden ze de niet-gemaakte keuzes, de gemiste kansen. Dikwijls gaan oordelen over broers en zussen over jezelf.

Terwijl er weinig lijkt te gebeuren, zit de roman vol met dit soort ontdekkinkjes. Prachtig boek dus.

Uitgelezen: Manon Uphoff, Vallen is als vliegen

Het zou je kunnen afschrikken, een herinnering van een schrijfster aan haar incestueuze vader en haar (stief)zussen. Dat zou zonde zijn.

Want Vallen is als vliegen van Manon Uphoff is geen standaard getuigenisliteratuur. Daarvoor is de vorm te literair, en vooral het verhaal te ambigu. Uphoff zoekt naar woorden en beelden die de complexiteit kunnen uitdrukken. Een taal waar je volop van zou kunnen genieten als het niet zo gruwelijk was.

Uphoff omschrijft het daadwerkelijke misbruik bijna tussen neus en lippen. Juist die kleine tussenzinnetjes komen keihard aan.

Wat ze vooral beschrijft is de verwarring in het hoofd van het jonge kind. Want er is ook toenadering, aandacht. Goed en kwaad zijn niet van elkaar gescheiden, maar lopen door elkaar heen, waardoor er niets rest dan verwarring. Waar jaren later de schuld van de overlevende bijkomt.

Vallen is als vliegen is een van de krachtigste boeken die ik in tijden las. Verbijsterend en betoverend.

Uitgelezen: De toverberg van Thomas Mann

Deze zomer nam ik een enkel boek mee op vakantie: Der Zauberberg van Thomas Mann. Ik dacht dat een dikke pil meer rust zou geven dan een stapel losse flodders. En dat deed het.

Dik in het aantal pagina’s, maar niet dik in centimeters. Ik had namelijk een Duitse dundrukuitgave uit 1929 mee. Een exemplaar dat nog van mijn opa was geweest. En, als de sporen me niet bedrogen, ook door hem gelezen was.

Het gaf een bijzondere sensatie. Hoe ik, misschien wel zeventig jaar na hem, dezelfde letters tot me nam. Zo tegengesteld als we waren, door een onzichtbare draad met hem verbonden. Hij een ultraconservatieve ultramontaanse ondernemer, ik een een anti-revolutionaire sociaal-liberaal (geloof ik).

Om het geheugen op te frissen: in Der Zauberberg (De Toverberg) bezoekt de 24-jarige Hans Castorp zijn neef Joachim in een tbc-sanatorium in het Zwitserse Davos. Hij is van plan drie weken te blijven. Maar als zo vaak: zodra je je in medische kringen begeeft blijk je vanzelf ziek. En zo worden drie weken zeven jaar.

Ver weg van de gewone wereld (in een tijd dat berichten niet a la minute binnenkomen) neemt de tijd een andere loop. We zijn getuige van het langzame leven (waarin je tergend langzaam verliefd kunt worden) en ellenlange gesprekken. Een boek dat je niet kunt kraken met de vraag “wat bedoelt de auteur?”

Dus rest “wat zegt het boek mij?” Bij klassieke boeken helemaal. Wat het boek voor mij betekent, heeft het vast niet voor mijn grootvader betekent. Het boek ontwikkelt zich met de tijd mee. Gebeurtenissen waarvan de auteur nog geen weet kon hebben oefenen hun invloed uit op de leessensatie.

Een aantal weken nadat ik het boek voor de laatste keer dichtsloeg blijft een idee het sterkste bij me hangen: hoe dicht de liefde en de levensovertuiging bij elkaar liggen. Hoe ze zich in je vastgrijpen en verloochening leidt tot zelfvernietiging. Er wordt gevochten om vrouwen en om volgelingen. Zo beconcurreren de humanist Settembrini en de fanatieke katholiek Naphta om de aandacht van Hans Castorp. Het loopt niet goed af. Die große Gereizheit, oftewel de grote irritatie. Botsing tussen drift en beschaving.

De grote klassieke romans geven je vaak een ander perspectief op het heden. Het is dus vast geen toeval dat juist dit thema er voor me uitspringt. In een tijd dat discussies verharden en onder de oppervlakte een seksuele lading krijgen.

Mijn opa heeft er vast iets anders uitgehaald. Ik kan het hem niet meer vragen.